DOOR GERHARD
WERKMAN (1912-1981)


(DE MARITIEME GESCHIEDENIS
NATIONAAL EN INTERNATIONAAL)
Hoe lang wij
Nederlanders al van het eene land naar het andere varen is
moeilijk na te gaan. Wel weten wij, dat reeds in den Romeinschen
tijd Fectio, een sinds lang verdwenen stadje in de tegenwoordige
provincie Utrecht, een uitvoerhaven was. Maar of de zeelieden, die
daar in- en uitvoeren, tot de bewoners van deze landen behoorden,
is niet te zeggen; het kunnen ook Romeinen zijn geweest of
zeevaarders van elders in Romeinschen dienst. Wel is met zekerheid
bekend, dat er in het begin van de achtste eeuw geregeld Friesche
kooplieden te Londen en te York verschenen om daar zaken te doen.
Dat moeten varende kooplieden zijn geweest en dat is trouwens niet
te verwonderen, want de Friezen, die in de vroege Middeleeuwen een
veel grooter gebied bewoonden dan thans, waren voor een
aanzienlijk deel visschers. Zij vischten echter niet gedurende het
geheele jaar. Daarom ligt het voor de hand, dat zij gedurende de
maanden, waarin de visscherij niet loonend was, hun tijd en
schepen productief maakten met het vervoer van goederen over zee.
Die overzeesche
vrachtvaart, ontstaan als een bijbedrijf van de visscherij, had
zich toen reeds ontwikkeld tot een aanzienlijken omvang. Dorestad
aan den Rijn, het tegenwoordige Wijk bij Duurstede, was het
centrum van de toenmalige Friesche koopvaardij en den Frieschen
handel. Daar kwamen vrachtwagens en binnenvaartuigen uit het
Oosten en vandaar vertrokken schepen naar elders, en omgekeerd. De
Friezen voeren o.m. geregeld naar Engeland waar zij ijzer, tin en
lood haalden en soms ook wel graan. En zij brachten er meekrap van
eigen bodem, alsmede barnsteen, pelzen, wijn, olie, specerijen,
wierook en andere voortbrengselen uit het Oosten, die hier
voornamelijk over land aangevoerd werden. Later vervoerden en
verhandelden zij het laken, dat de Vlamingen vervaardigden. In die
tijd al, nu 1200-1300 jaar geleden, teekende zich af wat later in
nog veel sterkere mate het geval zou zijn: handel en scheepvaart
in Noord-Nederland, nijverheid in het Zuiden.
GRAAN VOOR HARING.
De vrachtvaart
scheen zich aldus gestadig te ontwikkelen. Alles wees op
vooruitgang tot eensklaps de wagens uit het Oosten met de kostbare
producten uit verre landen wegbleven. Wat daarvan de oorzaak was
zullen de meeste bewoners van de lage landen slechts ternauwernood
bevroed hebben. Die oorzaak was nl. de leer van Mohammed. ’t
Moge vreemd klinken, dat het ontstaan van een godsdienstige
strooming in de Arabische landen invloed had op het verkeer ter
zee tusschen landen in West-Europa, toch was het zoo.
De verspreiding
van den Islam n.l. maakte een einde aan den handel in Oosterse
producten op deze landen. De wagens, die jaar in jaar uit van
markt tot markt elkander de kostbaarheden hadden doorgegeven,
bleven van toen af van vracht verstoken. Het Oosten sloot zijn
deuren af. Pas de Kruistochten in de dertiende eeuw zouden daar
weer eenige verandering in brengen. Maar al hadden de Friezen van
Dorestad dat geweten, het zou een schrale troost voor hen geweest
zijn.
Zij moesten nu
hun vervoer beperken tot die goederen, die van nabij werden
aangevoerd. De eenige belangrijke producten “uit het Oosten”,
die bleven, waren barnsteen en pelzen. Die haalden zij in Hamburg,
van waar zij over land van Lűbeck waren aangevoerd. Waar de Lűbeckers
die goederen vandaan gehaald hadden wisten zij niet. Zij
verdiepten zich er trouwens ook niet in, want zij hadden het veel
te druk met de Noormannen, die hier voortdurend invallen kwamen
doen. Dàt waren zeelui! Onverschrokken kerels in open booten met
een afgedankt zeiltje van boord tot boord als eenige beschutting.
Met die Vikingscheepjes hadden zij Amerika ontdekt lang voor
Columbus het nog eens dunnetjes over zou doen. En met diezelfde
scheepjes kwamen zij hier plunderen en brandschatten. Zij
vernielden veel, heel veel, maar niet de wilskracht van de
bewoners dezer lage landen en nog minder de drang tot varen, die
hun nu eenmaal in het bloed zat.
De Noormannen
deinsden tenslotte na tweehonderd jaar terug en er gebeurden hier
andere dingen. Graven en bisschoppen voerden oorlog, dijken braken
door en rivieren raakten verzand, steden verdwenen en andere
ontstonden, maar de menschen die hier woonden bleven varen en
handel drijven. Dit was blijkbaar een goed bedrijf, want al heel
vroeg telden de steden in deze streken meer inwoners dan het
omliggende land van voedsel kon voorzien. Nu lag dat omliggende
land voor een groot deel onder water, want met groote
inpolderingen hield men zich in die dagen nog niet op. Hoe het
zij; er was hier overbevolking; dus moest er graan ingevoerd
worden. Jarenlang hadden de schippers dat uit Hamburg gehaald,
waar zij tusschen twee haakjes ook heel wat bier plachten in te
slaan, dat hier goede aftrek vond. Die Hamburgers kregen de rogge
evenals barnsteen uit Lübeck en de Lübeckers haalden het weer
ergens anders vandaan.
Op een goeden dag
omtrent het jaar 1250 kwamen de Friezen en de Hollanders op
de gedachte, dat zij die rogge even goed zelf konden halen uit de
landen, waar zij werd verbouwd. Dat moest voordeeliger zijn,
meenden zij. Dus gooiden zij het roer voor den Elbemond over
bakboord in plaats van over stuurboord en voeren zij om het land
van Denemarken heen naar de toen nog betrekkelijke onbekende
Oostzee, waar zij Lijfland en Dantzig “ontdekten”, de
graanschuur en de barnsteenstad van het Oostland. Dat was het
begin van de Ommelandvaart. De Lübeckers waren daar niets over te
spreken. Zij eischten de Oostzee voor zich alleen op en trachtten
een einde te maken aan die vaart hunner mededingers door de Sont.
Maar aangezien de kruisers en de mijnen nog niet uitgevonden waren
lukte dat niet. Het lukte zelfs niet toen de Friesche en
Hollandsche en de Geldersche steden tot de Hanzebond waren
toegetreden, waarin de heeren van Lübeck veel te vertellen
hadden. De Ommelandvaart - Sontvaart zei men later -
bleef zich ontwikkelen.
Onze schepen haalden er vooral graan en brachten er
gezouten haring. Willem Beukelszoon had het haringkaken inmiddels
verbeterd, zoodat de visch in het zout wekenlang goed kon blijven.
Wij konden reusachtige hoeveelheden zoute haring uitvoeren, want
de ontwikkeling van de vrachtvaart had den gestagen groei van de
visscherij geen afbreuk gedaan. Integendeel, toen het bleek, dat
de gezouten haring een geschikt uitvoerproduct was, had ook de
visserschvloot uitbreiding ondergaan. En een ander gevolg was het
ontstaan van een uitgebreiden handel in zout, waarvan men toen nog
niet wist, dat het ook in den Nederlandsche bodem voorkwam. Het
werd gehaald uit La Rochelle; daar aan de Fransche kust kwamen
toen al veel zoutpannen voor. En toen onze schippers er toe
gekomen waren zout te gaan halen ten behoeve van de
haringvisschers was het een kleine moeite er wat méér te halen.
Het bleek n.l. dat zout aan de kusten van de Oostzee een gewild
product was. Zoo kwam van het een het ander. Wat die zoutvaart
betreft, die had vèrstrekkende gevolgen. Of er nu in La Rochelle
niet voldoende zout te krijgen was of dat het er te duur was, is
niet duidelijk, maar in elk geval waren er heel wat schippers, die
de Fransche kust voorbijzeilden en koers zetten op de Spaansche en
Portugeesche kusten. Later gingen zij nòg verder, naar de Kaap
Verdische eilanden. Dit alles zou ook weer niet van veel belang
zijn geweest, als daar niet twee andere gevolgen uit waren
voortgevloeid. In de eerste plaats leerden onze schippers in de
Spaansche en Portugeesche havens de kostbaarheden van verre landen
kennen, waarvan zij het bestaan ternauwernood wisten. En in de
tweede plaats werden de zoutnederzettingen op de Kaap Verdische
eilanden uitgangspunten voor de handelsvaart op de Westkust van
het onbekende Afrika, die zich later sterk ontwikkelen zou. Maar
zoover was het in de dagen van de Hanzebond nog niet. Vooralsnog
bleef het erbij, dat wij wijn, zout en later ook specerijen uit
Frankrijk, Spanje en Portugal haalden - die specerijen waren daar
met andere schepen aangevoerd - en dat wij met die producten
benevens met de haring, die onze eigen visschers gevangen en
gezouten hadden, de Sont doorvoeren naar wat in die dagen als het
Oostland werd aangeduid. De retourvracht bestond voor het
meerendeel uit rogge. De Sontvaart der Nederlanders nam zoo’n
groote vlucht, dat in 1615 tweederde van alle schepen die de Sont
doorvoeren, de Staatsche kleuren boven den achtersteven deden
wapperen. Vijftien schepen per dag kwamen er in dien tijd door de
Sont en daarvan waren er tien Nederlandsche. Amsterdam was toen al
geruimen tijd het centrum van den Europeeschen graanhandel.
DE STRAAT DOOR.
Een stuurman van
een lijndienst mag dan mopperen, omdat hij zich als een
trambestuurder gaat voelen, hij heeft het toch heel wat beter dan
de zeelieden van 6 of 7 eeuwen geleden. Het eenige wat de
schippers en hun varensgezellen vóór hadden, was het feit, dat
hun schepen het paaltjes pikken niet kenden. Zij hadden nl. geen
schroef. De stoomvaart kwam pas op na de Napoleontischen tijd en
de eerste stoomschepen waren bovendien raderbooten. De schepen
mochten dan al niet trillen, een aangenaam leven hadden de zeelui
in die dagen toch zeker niet. Het moesten onverschrokken kerels
zijn, die voor niets terugdeinsden. Er kwam persoonlijke moed aan
te pas. Vaak bestonden de bemanningen voor een groot deel uit
lieden, wien de grond te warm onder de voeten was geworden. Dat
het dan ook geen pretje was schipper of stuurman te zijn op een
schip, bemand met “ongelikte rabauwen”, behoeft wel geen
betoog. Maar afgezien van de opvarenden waren de schepen niet van
dien aard, dat zij de grootst mogelijke veiligheid boden. Zij
lagen buitengewoon hoog op het water en waren moeilijk
manoeuvreerbaar. De veiligheidsmaatregelen bleven in die dagen
beperkt tot... een aantal affuiten, waarmede men de zeerovers op
een afstand kon houden. Er bestond geen toezicht op de
zeewaardigheid der schepen, noch op de inrichting en uitrusting.
De vorm, die naar onze begrippen, zeer ondoelmatig was, berustte
meer op geëerbiedigde traditie dan op wetenschappelijke kennis.
De scheepswerven beschikten niet over technici, die hun gedachten
lieten gaan over eventuele verbeteringen. Zij hadden slechts
timmerlieden, die het ambacht van de vorige generatie der
timmerlieden geleerd hadden en die er niet aan dachten iets anders
te doen dan de voorvaderen het hadden gedaan, tenzij zij daartoe
nadrukkelijk bevel kregen. Het type der schepen veranderde dan ook
slechts uitermate langzaam. Het duurde b.v. eeuwen voor men
ontdekte dat er ook twee masten op een schip konden staan. Als wij
daarbij vergelijken, hoe sterk het scheepstype in de laatste
honderd jaar veranderd is - en dat is toch ook geleidelijk gegaan
-, dan is er alle reden om te zeggen, dat wij tegenwoordig sneller
leven dan in de Middeleeuwen en nog lang daarna.
De traagheid was
kenmerkend voor de geheele maatschappij in en na de Middeleeuwen;
ook voor de scheepvaart. Het moet ons bijvoorbeeld verbazen, dat
onze schippers, die toch waarlijk niet voor een kleintje vervaard
waren, slechts zelden de rots van Gibraltar voorbij voeren,
ofschoon zij toch geregeld in Spanje en Portugal kwamen. En toch
wisten zij vrij nauwkeurig welke landen er beoosten Spanje lagen.
Hoeveel Kruisridders waren niet via Italië naar het Heilige Land
getrokken? Waarom was er geen vaart op de Middellandsche Zee
gelijk op de Oostzee? Wij weten het niet. Alleen vertelt de
geschiedenis ons vrij nauwkeurig, dat de belangstelling voor dit
gebied plotseling een grooten omvang kreeg in het jaar 1590,
toen wij dus al meer dan twintig jaar in oorlog waren met Spanje.
Brieven uit Italië hadden n.l. gemeld, dat er in dat land
hongersnood heerschte. De Hollanders en de Zeeuwen roken
winstmogelijkheden. Zij rustten een goed bewapende vloot uit,
beladen met graan, om daarmee naar Italië te zeilen. Zoo trokken
zij voor het eerst in grooten getale door de Straat van Gibraltar.
Dat was de geboorte van de Straatvaart, die van dat jaar af
geregeld beoefend werd. De Straatvaarders voeren niet alleen naar
Italië, maar ook naar de Levant.
Er waren twee
redenen om de Straatvaarders goed te bewapenen. In de eerste
plaats toch moesten zij langs de kusten van het vijandelijke
Spanje en van Portugal, dat in 1580 door de Spanjaarden was bezet.
Zij konden dus rekenen op ontmoetingen met oorlogsschepen van den
vijand. En in de tweede plaats liep de Straatvaart gevaarlijk
dicht langs de kusten van Barbarije, gelijk met Noord-Afrika
noemde. Van dat land wisten onze voorvaderen niet veel, maar wat
zij er van wisten was voldoende om hen tot grote voorzichtigheid
te manen. Op zee waren nl. de Barbarijsche zeeroovers nog
geduchtere tegenstanders dan de Spaansche oorlogsbodems. Zij
legden een ongekenden moed aan den
dag, maar bovendien een niets ontziende wreedheid. Maakten
zij een Europeesch schip buit, dan waren de opvarenden òf ten
doode òf tot slavernij gedoemd. En het was de vraag wat erger
was. Toen in latere jaren strafexpedities onder Nederlandsche vlag
van tijd tot tijd de Christenslaven kwamen bevrijden uit de handen
der Berbers - Michiel Adriaansz. de Ruyter heeft zich daar o.m.
mee bezig gehouden - is hier bekend geworden hoe meedoogenloos de
kleurlingen tegenover de blanken konden zijn.
De faam der
Barbarijsche zeeroovers was groot, en zij is onuitroeibaar
gebleken tot op den huidigen dag. Maar laat ons oordeel niet te
hard zijn. In vroeger eeuwen kende elk land zijn zeeroovers, ook
het onze. Het werd zelfs niet als een schande beschouwd om de
kaapvaart te beoefenen, mits men het maar deed met toestemming van
de Staten. Jarenlang genoot de stad Amsterdam belangrijke
inkomsten uit dat bedrijf, dat ook haar ingezetenen van tijd tot
tijd niet versmaadden.
Echte avonturen beleefden de onverschrokken
zeelui van de zestiende en de zeventiende eeuw, die de zeeën
bevoeren en kusten bezochten, waarvan zij geen betrouwbare kaarten
bezaten en waarvan zij zoo goed als niets wisten. Bewaard gebleven
is er het document met de titel:
“Eerste
Schipvaert der Nederlanders naar Oost-Indië onder Cornelis de
Houtman, 1595-1597, d’eerste boek van Willem Lodewijcksz.”
Capittel I:
Hoe ende wanneer zy uytgeseylt zijn, ende wat haer ontmoetet is
tusschen dit ende de Cabo de buona Esperança saghen, ende wat
daer aen landt gheschiet is.
In den jaere
ons Heeren 1595 den eersten April, gereet ligghende de vier
Schepen in Texel, om te loopen nae de Cabo de buona Esperança
etc. So dan ghereet ligghende, zijn wij den tweeden April, in den
name Gods tseijl gegaen, loopende ’t Spaengiaerts gat uyt. Den
3. dito zijn by ons ghecomen vijf schepen, seijlende nae Spaengien.
Den 4. comende int Canael, hebben wij met een Coningins schip ende
haer Pinas ghesproken, saghen noch vier seijlen ons na comen, waer
een ander Coningins schip met haer Pinas nae toe voer. Int
ondergaen der sonnen saghen wij ’t Eijlandt Wicht, ende eenighe
schepen onder Enghelandt aen ancker ligghen; ende den sesten
saghen Heyssant.....”
(Ouessant)
Dat was nog eens
andere kost dan de huidige scheepsjournalen. Men voer zonder
behoorlijke instrumenten en zonder de meest elementaire
veiligheidsmaatregelen het onbekende tegemoet, wetende dat zij
stormen en windstilten zouden ontmoeten, dat zij met scheurbuik en
dorst te kampen zouden krijgen, dat zij misschien ter zee tegen
Spanjaarden en Portugeezen en op vreemde kusten met kwaadaardige
inboorlingen gevechten zouden moeten leveren. En dat in scheepjes,
kleiner dan er tegenwoordig op het IJsselmeer varen. De galjoenen
“Hollandia”, het schip van de Staten van Holland en
West-Friesland, en “Mauritius”, het schip van Prins
Maurits, maten elk 230 lasten, dat is 460 ton laadvermogen; de “Amsterdam”,
het schip van de stad Amsterdam, mat 130 lasten en de pinas “Duyfken”
was 25 lasten groot. Trouwens, in die dagen bestonden er ook al
heel wat grootere schepen. De Portugeezen voeren met kraken 700
last, d.i. 1400 ton laadvermogen. Eigenlijk moesten alle
Nederlanders de boeken over die reizen lezen. De kennis van deze
zaken beteekent respect voor de voorvaderen en dat is de gezondste
vorm van zelfrespect. Men herinnere zich misschien uit de
schoolboeken het jaartal 1595: Cornelis de Houtman zeilt
naar Oost-Indië, maar men heeft zich er nooit een beeld van
gevormd hoe dat nu eigenlijk gegaan was en wat daar alzoo aan te
pas gekomen was. Thans zien wij geen kraken, galjoenen en pinassen
passeren, maar nuchtere vrachtschepen met een grooten schoorsteen,
passagiersschepen en tankers en misschien een zeesleepboot,
benevens een handvol visschersvaartuigen.
STOUTMOEDIGHEID.
Hoe zijn de
Nederlanders er eigenlijk toe gekomen naar Indië te varen? Het
was een rechtstreeksch gevolg van den Tachtigjarige Oorlog. Wij
hadden jaren achtereen specerijen en andere kostbaarheden uit
Spaansche en vooral Portugeesche havens gehaald om die verder te
verhandelen. Dat hield niet dadelijk op toen wij tegen de
Spaansche overheersching in opstand kwamen, maar wel werd het hoe
langer hoe moeilijker. Herhaaldelijk werden de Nederlandsche
zeelui in de Spaansche havens gevangen genomen, terwijl hun
schepen verbeurd verklaard werden. In 1580 bezette Spanje
Portugal, zoodat wij toen dezelfde moeilijkheden in de
Portugeesche havens ondervonden. De handel in goederen, die wij
daar plachten te halen, was echter voor Amsterdam en sommige
andere steden dermate belangrijk, dat er wat op gevonden moest
worden om hem gaande te houden. Het gevolg was, dat eenige
Amsterdamsche kooplieden de hoofden bij elkaar staken en een
compagnie vormden met het doel schepen uit te rusten voor de vaart
op het onbekende rijk der specerijen, waar de Portugeezen zooal
geen heer en meester waren, dan toch allerlei rechten bezaten. Men
beschikte echter niet over voldoende zeilaanwijzingen. Wel wist
men er iets van af, want menigmaal had een Nederlander Kaap de
Goede Hoop gerond als opvarende van een Portugeesche kraak. Tot
degenen die op deze wijze kennis hadden verzameld omtrent het
Verre Oosten, behoorde ook de later beroemd geworden Jan Huygen
van Linschoten. Deze kennis was echter onvoldoende. Het was dus
zaak de noodige gegevens te verzamelen alvorens de reis te
beginnen. En waar zou men die beter kunnen vinden dan..... te
Lissabon? Dit overwegende zond de Amsterdamsche compagnie de
gebroeders Cornelis en Frederik de Houtman, kooplieden uit Gouda,
in 1592 naar die stad in het door onzen vijand bezette
gebied. Zooiets kon in die dagen blijkbaar. De beide heeren
vertoefden er maandenlang, zonder overlast te ondervinden,
ofschoon zij zich niet alleen op vijandelijk gebied bevonden, maar
bovendien doeleinden nastreefden, die voor den vijand van zeer
nadeeligen invloed zouden kunnen zijn. Enfin, zij zijn tenslotte
toch gevangen genomen. Maar met de gemoedelijkheid, die kenmerkend
is voor die tijd, wisten hun Amsterdamsche opdrachtgevers hen los
te koopen. In 1594 keerden de gebroeders Houtman naar
Amsterdam terug met kostbare gegevens over de reisroute naar en
den handel op Indië. Prompt werd er een vloot uitgerust, die het
jaar daarop van de reede van Texel vertrok. Zij bereikte na
veertien maanden en vier dagen, op 6 juni 1596, Straat
Soenda, zwierf langs de Noordkust van Java, deed wat zaken met de
Inlanders, ondervond tal van moeilijkheden en vertrok op 22
februari 1597 van het eiland Bali. Medio augustus waren de
heeren terug op de reede van Texel en een dag of wat later te
Amsterdam, waar zij als “helden” werden begroet; dus niet. In
die dagen was nl. het geld de maatstaf van alles. En geldelijk was
de reis een teleurstelling geworden. Het magere resultaat werd
toegeschreven aan het tactloze optreden van Cornelis de Houtman.
En het volk was ook niet geestdriftig, want het meerendeel der
opvarenden had den dood gevonden tijdens de reis. De groote waarde
van deze onderneming drong pas langzamerhand door. Dat zij den weg
had verkend voor anderen, besefte men in Amsterdam blijkbaar niet
dadelijk in den vollen omvang. De tweede reis naar Indië maakten
de gebroeders Houtman in 1598 in opdracht van den in
Zeeland gevestigden Zuid-Nederlander Balthasar de Moucheron.
Cornelis vond den dood, Frederik was twee jaar gevangene van een
Sultan op Sumatra, die hem pas weer losliet, nadat een ander schip
geschenken van Prins Maurits voor dezen Inlandse vorst had
gebracht. Hij maakte daarna nog een prachtige carrière, werd
gouverneur van Bantam en van de Molukken en tenslotte eerste Raad
van Indië.
De
allerbelangrijkste feiten vielen voor de Nederlandsche koopvaardij
alle tegen het einde van de zestiende eeuw en zij waren alle een
uitvloeisel van dezelfde omstandigheid: de onmogelijkheid om nog
langer handel te drijven op Spanje en Portugal en den wensch
dientengevolge zelf een verbinding met de specerij-eilanden tot
stand te brengen. Eén van die feiten was dus de reis van de
gebroeders Houtman, die begon in 1595. De andere waren de
reizen van de Nederlanders Mahu, de Cordes en van Olivier van
Noort door Straat Magelhaens naar Indië, beide begonnen in 1598,
en de reizen van Willem Barentsz naar de Karazee, waarvan de
eerste in 1594 reeds werd gedaan. Dit waren alle drie
pogingen om de Nederlandsche driekleur (oranje-blanje-bleu) te
brengen buiten den Atlantischen Oceaan. Dat een van de drie niet
is geslaagd lag waarlijk niet aan den leider van den tocht of aan
zijn mede-opvarenden, maar aan de onbevaarbaarheid van de ijszeeën
benoorden Siberië. Hoe het komt dat geen enkele Nederlander in
die dagen geprobeerd heeft de Noordwestelijke doorvaart te vinden
– benoorden Canada dus – is niet bekend.
WIILEM BARENTSZ.
Beginnen wij met Willem Barentsz. Hij was
een Terschellinger, die te Amsterdam woonde en zich bezig hield
met zeevaartkundige werkzaamheden, waarvoor hij allerlei reizen
ondernam. Zoo verscheen er van zijn hand een “Nieuwe
Beschrijvinghe ende Caerttboeck van de Middtlansche Zee”. Die
Middellandsche Zee was nog een vrij onbekend gebied voor de
Nederlanders, die zich immers pas in 1590 op de Straatvaart
waren gaan toeleggen. Barentsz gold dus reeds als een deskundige
op zijn gebied, toen hij op 24 juni 1594 van Amsterdam
vertrok om de Noordoostelijke doorvaart te zoeken. In 1578
was daartoe ook al eens een poging gedaan van Nederlandsche zijde,
die niet was gelukt. Hij had een vrij voorspoedige reis en
bereikte in het hartje van de zomer de Karazee te Oosten van Nova
Zembla. Daar maakte het ijs het hem onmogelijk zijn reis te
vervolgen. Dus keerde hij terug. Op 3 september was hij weer in
het vaderland. Een jaar later, op 2 juni 1595, ging hij
opnieuw. Weer kwam hij tot in de Karazee en weer moest hij
terugkeren. In 1596 vertrok hij te derden male derwaarts.
Nu nam de vloot, die onder Heemskercks leiding stond – Barentsz
was nu uitsluitend wetenschappelijk waarnemer – haar route
Noordelijker, ontdekte op 80° N.B. Spitsbergen en nam het land
voor de Staten van Holland in bezit. Spoedig daarna zou hier het
centrum van de destijds zeer omvangrijke Nederlandse walvischvaart
gevestigd worden. Van dit nieuwe land zeilde hij Oostwaarts, doch
dezen keer bereikte hij de Karazee niet eens. Hij strandde op Nova
Zembla en overwinterde er. (Pas in 1992 zijn de restanten van het
bivak op Nova Zembla teruggevonden.)
Op de terugreis
naar het vaderland stierf hij; het meerendeel zijner tochtgenoten
bereikte echter in juni 1597 Amsterdam weer. Nadat uit
mededeelingen van Jan Huygen van Linschoten en Gerrit de Veer de
bijzonderheden van deze drie reizen bekend waren geworden, gaf men
de pogingen om de Noordoostelijke doorvaart te vinden op.
DE ZUIDWESTELIJKE ROUTE (KAAP
HOORN)
Twee maanden na den terugkeer van Barentsz’
tochtgenoten verscheen Cornelis de Houtman weer op de reede van
Texel. Hij bracht weliswaar geen rijken buit mee naar de
Nederlanden, maar hij had tenminste de Zuidoostelijke route naar
Indië – die naderhand de beste bleek te zijn – ontdekt. Na
deze beide Amsterdamsche initiatieven rijpte tegelijkertijd te
Middelburg en te Rotterdam het plan om langs de Zuidwestelijke
route naar Indië te varen. Het gevolg ervan was dat in 1598
van Middelburg vijf schepen vertrokken onder leiding van Jacques
Mahu en Simon de Cordes en van Rotterdam vier schepen onder
leiding van Olivier van Noort. Eerstgenoemden behoorden tot de
groote groep van Zuid-Nederlanders, die na 1585 Antwerpen
hadden verlaten – in dat jaar hadden de Spanjaarden de Schelde
gesloten –, zodat de grootste koopstad van Europa in die dagen
haar beteekenis had verloren -, van Noort stamde uit Utrecht, had
op West-Indië gevaren en was herbergier te Rotterdam, toen hij
zijn reis ontwierp en voorbereidde.
Gelijk van te voren bepaald was, keerde een
der schepen van de vloot van Mahu en De Cordes, nl. “Het
Geloof” onder kapitein Sebald de Weert, in Straat Magelhaens
terug. De anderen zetten de reis voort, doch “De Blijde
Boodschap” moest zich reeds bij Valparaiso aan de
Spanjaarden overgeven. “De Hoop” verging op den Stille
Oceaan; zeven opvarenden zijn waarschijnlijk op de Hawaiï-eilanden
terecht gekomen, “De Trouw” raakte bij Tidore in den
Indischen archipel slaags met de Portugeezen en moest het
onderspit delven. “De Liefde” kwam in Japan terecht en
werd daar prompt geplunderd, nadat de paters Jezuïeten den
Japanners hadden duidelijk gemaakt, dat die Hollanders “Lutherse
zeerovers” waren. Het was het eerste Nederlandsche schip, dat
Japan bezocht. Het schegbeeld van “De Liefde”, een houten
conterfeitsel van den grooten Desiderius Erasmus, behoorde tot de
buit der Japanners. Het is eenige jaren geleden teruggevonden. Een
afgietsel ervan bevindt zich in het museum Boymans te Rotterdam.
Olivier van Noort volgde ongeveer dezelfde
route, nl. na Straat Magelhaens Noordwaarts tot Centraal Amerika
en vervolgens Westwaarts. Hij kwam op de Philippijnen terecht,
moest daar slag leveren tegen de Spanjaarden, doch wist tenslotte
met een schip te ontkomen. Hij zeilde om Kaap de Goede Hoop
huiswaarts en was dus de eerste Nederlander, die een reis om de
wereld maakte. Hij ondervond de hulde, die hem toekwam.
De verhalen van
al deze reizen zijn even boeiend. Zij vertellen van den strijd
tegen de elementen en de vijandelijke schepen – de koopvaarders
met vredelievende doeleinden moesten zwaar bewapend zijn -, van de
ontberingen ten gevolge van gebrek aan water en voldoende versch
voedsel, van de vreemde ontmoetingen met inboorlingen en
verkenning van onbekende kusten. Vooral die verkenningen waren van
belang. Vandaar, dat het schip van kapitein Sebald de Weerst
opdracht kreeg de overige schepen van de vloot in de Straat
Magelhaens in den steek te laten en daar het vaarwater, de kusten
en de klippen te verkennen. De man, die opdracht kreeg die
verkenningen in kaart te brengen en te beschrijven, was stuurman
Ian Outghers. Van zijn hand verscheen dan ook na zijn terugkeer in
Holland “Nieuwe volmaeckte beschrijvinghe der vervaerlycke
Strate Magellanim waer in van mijl tot mijl, van Baye tot Baye,
tot nut der Schippers ende Stuerlieden d’opdoeningen vlytighlyck
verthoont, ende streckingen” door Ian Outghersz van Enchuysen,
die de selve Strate (Stuerman zijnde op ’t schip ’t
Geloove genaemt) hen en weder gezeylt ende over de 9.
maenden daer in gheleghen heeft.”
Zoo lag dus,
toen de zeventiende eeuw aanbrak, de zeeweg naar de rijkdommen van
Indië open. Zij werd druk bevaren. De handel op Java en de
specerij-eilanden nam een groote vlucht en veroorzaakte een
snellen groei van onze koopvaardijvloot. In die jaren ontstond het
gezegde dat er in Holland meer schepen dan woningen waren gebouwd.
Maar dat is niet zo vreemd als men beschouwt dat de schepen klein
waren en een gering laadvermogen hadden. Een reis naar Indië
duurde twee jaar. Een enkel hedendaags vrachtschip presteert meer
dan honderden galjoenen. Voor de Spanjaarden in 1585
Antwerpen blokkeerden, voeren vijfhonderd schepen per dag door de
Westerschelde. Thuishavens lagen niet alleen aan zee; ze waren
verspreid over honderden stadjes en dorpen in ons land. De
zeeschepen staken niet diep. Zij konden dus ook de binnenwateren
bezeilen. Die binnenwateren waren vaak plassen, die nu zijn
ingepolderd. Graft en De Rijp hadden vele schepen op zee, te
Diemen woonden talrijke gezinnen van kapiteins en stuurlieden.
Broek in Waterland was een dorp van reeders en gezagvoerders. Aan
de kleine havenkom, die nog steeds het centrum van het dorp vormt,
woonde daar de legendarisch geworden Neeltje Pater, wier schepen
haar fantastische rijkdommen bezorgden.
Voor een juist
begrip van zaken zij nog vermeld, dat de Nederlanders niet de
eersten waren, die met hun schepen buiten den Atlantischen Oceaan
kwamen. We hebben reeds gezien dat de Spanjaarden en de Portugezen
zich in alle wereldzeeën manifesteerden en met specerijen naar
huis kwamen. In 1485 was de Portugees Bartholomeus Diaz al
om Kaap de Goede Hoop gezeild tot in de Algoabaai. In 1497
voer zijn landgenoot Vasco da Gama langs denzelfden weg naar
Madagascar en Voor-Indië. Door de ontdekking van dezen zeeweg
braken de Portugeezen het monopolie van de Arabieren, sinds eeuwen
de verbinding van de Molukken met Egypte hadden onderhouden. Dit
was tevens het einde van Venetië als rijkste koopstad van Europa.
De eerste Europeaan, die de Zuidwestelijke doorvaart vond, was de
Portugees in Spaansche dienst Fernando de Magelhaens. Hij maakte
zijn reizen in 1509 en 1520, dus een kleine dertig
jaar na Columbus’ ontdekkingstocht. Magelhaens stak den Stillen
Oceaan over en zeilde om Kaap de Goede Hoop huiswaarts. Hij was
dus de eerste mensch, die een reis om de wereld volbracht. Wat de
groote Nederlanders dus deden tegen het einde van de zestiende
eeuw, hadden de Portugeezen, die de eersten waren, een honderd
jaar tevoren al volbracht. En ware de oorlog tegen Spanje geen
stimulans geweest voor de Nederlanders, wie weet hoe lang zij de
eenigen waren gebleven…
TWEE UITERSTEN.
Tusschen 1600 en
1800 liggen twee eeuwen, die voor de geschiedenis van ons land
twee uitersten hebben gebracht: aanzienlijke macht en diepe
vernedering. Dat de geschiedenis van de koopvaardijvloot
evenwijdig liep met die van het land, spreekt welhaast vanzelf.
Ook breidde zij zich uit over de gansche aarde en schrompelde
daarna ineen tot een handvol onbetekeenende vaartuigen. Van de
beteekenis van mannen als Michiel de Ruyter, de beide Trompen,
Piet Hein en andere groote admiraals zullen we hier niet
vertellen; zij behoort tot de militaire geschiedenis. De
koopvaardij, die wel niet geheel en al los te maken is van de
marine, maar die wij toch afzonderlijk behooren te beschouwen,
beleefde na de tochten van De Houtman, Van Noort en Barentsz geen
gebeurtenissen meer van dezelfde orde, maar zij groeide en
bloeide, was groot en stond in aanzien gedurende vele tientallen
van jaren. Zij bracht welvaart in het land en vele Nederlanders
gingen naar den vreemde, ook voor goed. De behoefte aan
nederzettingen in Indië en aan de Kaap de Goede Hoop, in Noord-
en Zuid-Amerika, op Formosa en in Japan, op de Goudkust en in de
Kraalzee en op tal van andere punten ter wereld werd gevoeld bij
de koopvaarders. Die nederzettingen waren dan ook stichtingen van
compagnieën, d.w.z. van de particuliere handels- en
scheepvaartmaatschappijen. Dat zij later ten deele verloren zijn
gegaan, is misschien wel voor een groot deel te wijten aan het
feit, dat de militaire beteekenis van die punten voortdurend
verwaarloosd is. Zoo behooren de geschiedenis van het ontstaan van
Kaapstad en die van Nieuw Amsterdam, dat nu New York heet, in
wijderen zin tot de geschiedenis van de Nederlandsche koopvaardij,
maar het valt buiten dit bestek daarover uit te weiden.
Schokkende
gebeurtenissen beleefde de koopvaardij niet gedurende de
zeventiende en de achttiende eeuw. Zij breidde zich gestadig uit.
Op haar hoogtepunt omvatte zij 20.000 schepen van 50 tot 600 ton.
Zij beheerschte daarmee 60% van den zouthandel, 75% van den
haringhandel, 75% van den graanhandel en 65% van den wijnhandel.
Was het in de eerste jaren van de Vereenigde Oost-Indische
Compagnie nog zoo, dat de bewindvoerders een premie uitloofden
voor een gezagvoerder, die binnen de acht maanden van Java naar
Nederland zeilde, in de tweede helft de zeventiende eeuw reeds
kwam het voor, dat een Nederlandsche galjoot denzelfden afstand in
vier maanden en een week aflegde. Dit leek een topprestatie, maar
de latere clippers, die langer waren en dus meer masten konden
voeren, voeren veel sneller. Vóór de clippers echter den roem
van de Nederlandse scheepvaart mee hielpen herstellen, kwam in 1811
de Fransche revolutie over ons land, gevolgd door de inlijving van
deze gewesten bij Napoleons rijk en de blokkade van onze kusten
door de Engelsche vloot. De schepen die thuis waren lagen te
rotten en op de werven en hellingen groeide gras. Onze vloot dunde
zóó sterk uit, dat Nederland, toen Engeland na Napoleons
nederlaag in 1815 den Indischen archipel weer aan ons
overdroeg, niet voldoende vaartuigen ter beschikking waren, om
daar de noodige bezettingstroepen naar toe te brengen.
De toestand
waarin onze koopvaardij verkeerde, was wel diepbedroevend. Al wat
de voorvaderen tot stand hadden gebracht was verdwenen. De reeders,
de scheepstimmerlieden en de zeelui moesten opnieuw beginnen. En
zij begonnen opnieuw! Aan ondernemingsgeest ontbrak het niet.
Integendeel, aangemoedigd door koning Willem I, pakten
ondernemende mannen dadelijk aan. De ontwikkeling ging nu, in het
begin van de negentiende eeuw, twee richtingen uit: die van het
verbeterde zeilschip en die van het stoomschip. Naar het voorbeeld
van de scheepsbouwers van Baltimore gingen de werven langs de
groote rivieren hier snelle schepen bouwen; verbeterde barken,
brikken en fregatten, die men later met de verzamelnaam clippers
aanduidde. Het waren zeilers die driemaal zo snel voeren als de
schepen van De Houtman en Van Noort. En toch was dezelfde wind ook
hun eenige voortstuwingsmiddel. Zij waren lang niet zoo hoog
opgebouwd en hadden een lengte, die zich tot de breedte verhield
als zes tot een; een verhouding, die men eenige eeuwen tevoren
voor roekeloos gehouden zou hebben. Die grootere lengte leverde de
mogelijkheid tot het plaatsen van meer masten, zoodat er meer zeil
gevoerd kon worden. Bovendien was de onderwaterlijn zóó gemaakt,
dat zij zoo min mogelijk weerstand veroorzaakte. Ook de wijze,
waarop deze schepen getuigd waren, was anders dan die der vroegere
vaartuigen. En daar kwamen dan nog allerlei snelheidsverbeterende
veranderingen bij.
SNEL HERSTEL.
Eigenlijk was er
in geheel Nederland maar een enkele reeder meer na afloop van de
Franschen tijd. Dat was de Rotterdamsche koopman Anthony van
Hoboken. Hij was als jonge man in 1774 te Rotterdam een
handel in boter en kaas begonnen. Het zoeken naar afzetgebieden in
het buitenland bracht hem in aanraking met de scheepvaart, waarin
hij zooveel mogelijkheden zag, dat hij weldra zelf schepen ging
kopen. Zijn energie ontplooide zich vooral, toen de komst van de
Franschen de koopvaardij hier te lande bijna onmogelijk had
gemaakt. Hij begon zijn goederen met binnenschepen naar Embden en
Hamburg te brengen en liet van daaruit zijn zeeschepen onder
Pruisische en Deensche vlag naar andere landen en naar Indië
varen. Dat ging goed. Vele reeders zaten bij de pakken neer en
wisten niets anders te doen dan betere tijden af te wachten. Hij
kocht links en rechts schepen op en verzamelde aldus een vloot,
die hem schatten geld opleverde. Zelfs tijdens het Continentale
Stelsel, d.i. de blokkade van die dagen, wist hij de verbinding
van Rotterdam met Londen in stand te houden. Hij was de eerste,
die na het vertrek van de Franschen een schip zeilree had voor een
reis naar Oost-Indië. Het was de “Maas- en Rottestroom”.
Steenen en ijzerwerk, boter en vleesch, jenever en visch vormden
het meerendeel der lading van dit schip, waarvan het vertrek op 8
October 1814 gevierd werd met een stokvisch-maaltijd. De
reis ging niet vlot. De tocht naar Hellevoet duurde vele weken.
Pas op 11 Februari 1815 kwam het schip in zee en op 23
September bereikte het Batavia. Koffie en suiker bracht het mee
terug. Zoo herleefde de vaart op den Indischen archipel als een
particuliere onderneming. In de politieke omwenteling der
voorafgegane jaren was de Vereenigde Oost-Indische Compagnie, die
twee eeuwen lang als een almachtig lichaam – een staat in de
staat, heeft een geschiedschrijver deze vennootschap genoemd –
de vaart en handel op en in Indië had beheerscht, ten onder
gegaan. Zij herleefde niet. Er ontstonden hier te lande andere
opvattingen onder het gezag van Koning Willem I, die niets liever
wilde dan een zoo groot mogelijke ontplooiing van het particuliere
initiatief.
Aan die
ontplooiing ontbrak echter het een en ander. De economische
ontwikkeling van Nederland en de overzeesche bezittingen ging
minder voorspoedig dan noodzakelijk was om de vele moeilijkheden,
waarmede de staat te kampen had, te boven te komen. Daarom
stimuleerde de koning de oprichting van de Nederlandsche
Handel-Maatschappij, die in 1824 tot stand kwam. Het was
een grootsch opgezet lichaam, dat tot taak kreeg den nationalen
handel, de scheepvaart, den scheepsbouw, de visserij en den
landbouw alsmede de nijverheid te bevorderen. Er werd voor 69
miljoen gulden ingeschreven. Van het toegezegde kapitaal werd
echter slechts 37 millioen opgenomen. Deze maatschappij kreeg
uitsluitend recht de gouvernementsproducten van Indië naar het
moederland te vervoeren, op te slaan en in consignatie te
verkopen. Ofschoon de oprichting van dit lichaam erg veel leek op
een herstel van de vroegere compagnie in een andere vorm – in
Indië had men er slechte verwachtingen van – droeg het toch een
tijdlang bij tot de bevordering van den scheepsbouw en de
scheepvaart onder Nederlandsche vlag. De maatschappij nam nl. de
verplichting op zich voor het vervoer van haar goederen alleen
gebruik te maken van Nederlandsche schepen en daarbij dan ook nog
de voorkeur te verlenen aan
die vaartuigen, die op Nederlandsche werven gebouwd waren. De
bevrachting van twee uit- en thuisreizen naar Java en China werden
voor zulke schepen gegarandeerd tegen hooge vrachtprijzen. Dit nu
was zo aanlokkelijk, dat de reederijen van dat ogenblik af als
paddenstoelen uit den grond schoten. Weliswaar was Van Hoboken
niet de eenige, die zijn schepen naar Indië zond, toen de
Handel-Maatschappij ontstond, maar de vaart op de Oost was toch
nog gering. Na het oprichtingsjaar telde de Nederlandsche
koopvaardijvloot ongeveer duizend schepen en daarvan waren er een
vijftig geschikt voor de lange reis om Kaap de Goede Hoop naar
Java. De werven te Amsterdam, te Rotterdam en aan den Kinderdijk
kregen het druk. Voortdurend moesten nieuwe fregatten, barken en
brikken op stapel worden gezet. Toen de maatschappij in 1841
besloot paal en perk te stellen aan den toen nog steeds
toenemenden bouw van schepen, waarvan men niet wist of zij wel
alle rendabel te maken zouden zijn, maakte zij een lijst op van
varende en op stapel staande schepen, die voortaan voor
bevrachting in aanmerking zouden komen. Het was een lijst met 321
namen!
Dat werkte
temperend, hetgeen dan ook de bedoeling was. Met dat al echter had
Nederland weer een flinke koopvaardijvloot gekregen. Er waren weer
honderden zeelieden, die onder de Nederlandsche vlag de wereldzeeën
bevoeren en er waren weer reederijen en handelshuizen, die dank
zij het herstel van de zeevaart nieuw leven in de groote steden
brachten. Lang niet alle reizen waren winstgevend, maar hoofdzaak
was – historisch gezien althans – het herstel van de groote
vaart, die zoo goed als geheel verloren was gegaan. De
beschermende en aanmoedigende maatregelen van de Nederlandsche
Handel-Maatschappij hadden daartoe den stoot geven. Er kleefden
allerlei bezwaren aan die maatregelen en zij werden misschien niet
tijdig genoeg opgeheven, zij droegen er echter in sterke mate toe
bij dat Nederland weer een zeevarende natie was geworden. Dat was
het doel geweest van Koning Willem I. Zijn doel was ten volle
bereikt en wij mogen daar nu nog dankbaar voor zijn.
Behalve op Java
en China, vanwaar veel thee gehaald werd, voeren de Nederlandsche
schepen ook op West-Indië en de omliggende vreemde kusten. Voor
het overige bleef de koopvaardij onder onze vlag in die jaren nog
beperkt tot de Noordzee, de Oostzee en de Middellandsche Zee. Pas
langzamerhand zouden zich de Nederlandsche scheepvaartlijnen
ontwikkelen tot het wereldomvattende net, waarin geen enkele haven
van beteekenis ontbreekt.
CLIPPERSCHEPEN.
Tot de
ondernemende mannen, die zich na den rampzalige Fransche tijd in
de havensteden als reeders vestigden, behoorde ook de Dordtenaar
A. Blussé van Oud-Alblas. Hij legde in 1830 den grondslag
voor een bloeiend scheepvaartbedrijf, dat vooral na zijn dood in
1846 onder leiding van zijn beide zoons P. Blussé van Oud-Alblas
en A. Blussé zou uitgroeien tot een toonaangevende onderneming
van algemeene bekendheid. Deze gebroeders toch legden zich vooral
toe op het in de vaart brengen van snelle schepen, die groote
reizen maakten, vaak rondom den aardbol. Het ligt dan ook wel voor
de hand, dat zij een gewillig oor leenden aan den staatsman J.R.
Thorbecke, toen die hun den raad gaf clipperschepen in dienst te
nemen. Dit was een scheepstype, ontstaan op de werven in de
Chesapeakebaai en de Potomacrivier, waar de Amerikaansche kapers
en slavenhalers in de achttiende eeuw hun vaartuigen hadden laten
bouwen. Meer dan de koopvaarders hadden deze lieden er belang bij
gehad, snelle zeilers te bezitten voor de uitoefening van hun
sinister bedrijf. De naam clippers sloeg niet op een bepaald type,
maar werd gebezigd voor alle snelzeilende vaartuigen. Hoe en
wanneer deze aanduiding ontstaan is, ligt in het duister. Men las
haar voor het eerst in het begin der negentiende eeuw, toen de
clippers reeds lang voor vreedzame doeleinden gebruikt werden.
Vooral de Baltimore-clippers waren toen beroemd. Zij
onderscheidden zich vooral door de nieuwe verhouding tusschen
lengte en breedte. Gloednieuw was de ontdekking der Amerikanen,
dat het mogelijk was de schepen een grootere lengte te geven
zonder aan de zeewaardigheid afbreuk te doen, overigens niet, want
in 1595 waren te Hoorn al de in die dagen beroemde fluiten
gebouwd, waarvan de lengte vijf maal de breedte bedroeg.
De Amerikaansche
clippers waren geduchte concurrenten op de groote vaart. Zij
liepen meer snelheid dan de meeste andere schepen en zij voeren
met veel minder volk. Zij hadden, dank zij hun lengte, meer masten
en dus meer zeilen, zij hadden een betere onderwaterlijn en zij
waren doelmatiger getuigd. Mr. Thorbecke wist de gebroeders Blussé
te overtuigen van de voordelen der clippers. Daar men hier te
lande niet wist, hoe deze schepen gebouwd moesten worden, kreeg
een Nederlandsche marine-officier het verzoek een bouwtekeening
uit Amerika mee te brengen. Hij kweet zich zorgvuldig van die
taak. Toen men zoover was, kon de reederij aan de werf van C. Gips
en Zoon te Dordrecht opdracht geven tot den bouw van den eersten
Nederlandschen clipper.
Op 27 october 1853
werd de kiel gelegd en ruim een jaar later, op 29 november, liep
het schip van stapel. Het is een lust voor de oogen, zoo schreef
een der dagbladen ter gelegenheid van de tewaterlating, om het te
aanschouwen door de wijze, waarop het in het water ligt. Met zijn
uitwaaienden boeg, die met zijn concave waterlijn zulk een
contrast maakt met de volle boegen der gebruikelijke schepen.
Enige maanden later was het schip voltooid. Kapitein Jacob Bouten,
die kort tevoren teruggekeerd was van een reis om de wereld met de
bark “Jan van Hoorn”, werd tot gezagvoerder benoemd en de
reeders kondigden de eerste reis van dit schip aan door middel van
de volgende advertentie in het Algemeen Handelsblad:
Te Dordrecht
ligt in lading naar Java, om 14 April te vertrekken, naar het
model van een beroemd Amerik. Scheepsbouwmeester, nieuw gebouwd,
gekoperd en kopervast Medium-clipperschip KOSMOPOLIET, kapt. J.
Bouten. Dit Schip is geheel op de Zeilage gebouwd en bevat
buitengewoon ruime en met alle Gemakken voorziene Inrigtingen in
de Campagne voor Passagiers eerste klasse en in het Tusschendek
voor Passagiers tweede klasse, terwijl alsmede voorzien is van een
bekwaam Scheepsdoctor. Voor nadere inlichtingen vervoege men zich
bij den Kapitein aan Boord, of te ’s-Gravenhage, bij de Heeren…..
enz.
Deze clipper, die
758 ton mat, was niet alleen een lust voor de oogen, hij voldeed
ook aan de verwachtingen van de eigenaren. Hij maakte een reis van
Hellevoet naar Bantam in 86 dagen en van Hellevoet naar Batavia in
74 dagen. Dat waren buitengewone snelheden voor schepen zonder
mechanische voortstuwing.
Geen wonder, dat
het succes van de “Kosmopoliet” tot navolging aanleiding gaf.
In de daarop volgende jaren werd een groot aantal clippers gebouwd
op de werven van Rotterdam tot Dordrecht en ook te Amsterdam en
elders. Het waren uitstekende schepen, die zeker in het begin wel
konden concurreeren tegen de stoombooten, die zich ook begonnen te
vertoonen. Vele Nederlandsche clippers maakten reizen om de
wereld. Zij werden geregeld in Noord- en Zuid-Amerika gezien, ook
aan de Westkust; onderhielden doorloopend de verbinding met
Nederlands-Indië en haalden thee uit Kanton, op welke reizen zij
zich het best konden meten met de snelste Engelsche theeclippers.
Ook voeren zij dikwijls met landverhuizers van Engeland naar
Australië, vanwaar zij dan met graan terugkeerden. In deze
graanraces wisten zij zelfs met de felste concurrenten te
wedijveren! De zeelieden, die deze clippers bevoeren, waren
trotsch op de prestaties van hun schepen en zij legden een gezonde
sportiviteit onder elkaar aan den dag, terwijl ze eensgezind een
diepe minachting hadden voor de schepen, die door stoom werden
voortbewogen. De prachtige volgetuigde drie- en viermastschepen
waren, vergeleken bij de vaartuigen uit de vorige en de voorvorige
eeuw, hypermoderne bodems, waarmede de eigenaren over het algemeen
winstgevende zaken wisten te doen, ook nog toen de stoomvaart al
een groote vlucht had genomen. Pas tijdens den Eersten
Wereldoorlog kreeg het aantal stoomschepen de overhand; in
belangrijkheid hadden zij het al veel eerder gewonnen. Het laatste
groote zeilschip, dat hier te lande werd gebouwd, was de stalen
viermastbark “Geertruida Gerarda”. Het kwam in 1905
in de vaart, reeds vijf jaar later werd het naar Duitschland
verkocht. In 1911 werd de “Jeanette Françoise”,
ook een stalen viermastbark, naar Noorwegen verkocht. Daarmede
waren de groote zeilschepen uit de Nederlandsche koopvaardijvloot
verdwenen. Nog een tijdlang zag men hier vrij veel schoeners,
zeilschepen van veel geringere afmetingen, die voor het meerendeel
uitgerust waren met hulpmotoren. Echte zeilschepen waren dat dus
ook al niet meer. Zij gingen mee, zoolang zij bruikbaar waren;
daarna werden zij door motorscheepjes vervangen.
Geheel van den
aardbodem, of liever van de zeeën, verdwenen zijn de zeilschepen
nog niet. Er is nog één reeder ter wereld, die er een vloot van
louter zeilschepen op na houdt. Dat is de Finsche oud-gezagvoerder
Eriksson te Mariehamn op de Aalands-eilanden. Zijn schepen voeren
nog geregeld met graan van Australië naar Engeland. Een deel
ervan is echter tijdens den thans woedenden Tweeden
Wereldoorlog ten onder gegaan.
DE EERSTE ECHTE STOOMBOOTEN.
Het zoo
belangrijke tijdperk van de clippervaart is des te merkwaardiger
als men bedenkt, dat het begonnen is lang nadat de stoomvaart hier
te lande haar intrede had gedaan. Dat was nl. in 1823,
twee-en-dertig jaar voor de “Kosmopoliet” haar eerste
reis naar Java maakte.
Op 16 Juni van
dat jaar begaf zich Koning Willem I met gevolg aan boord van het
stoomschip “NEDERLANDER”, dat te Rotterdam aan de kade
lag, gereed voor de eerste reis naar Antwerpen. Duizenden sloegen
het vertrek van die wonderlijke raderboot gade. Zooiets had men
nog maar zelden gezien en nog nooit onder Nederlandsche vlag. Want
de “Nederlander” was het eerste Nederlandsche
stoomschip! De reis verliep vlot en het feit, dat de Koning zich
aan boord had bevonden, was de beste propaganda, die de
initiatiefnemer zich wenschen kon.
Die
initiatiefnemer was de 28-jarige Rotterdamsche zee-officier
Gerhard Moritz Roentgen, een man, die aan het begin stond van een
belangrijke loopbaan. Op 2 Mei 1795 was hij geboren, zoodat
hij nog minderjarig was, toen hij tot het detachement
Nederlandsche troepen behoorde, dat na de Fransche overheersing
naar Indië gezonden werd om daar de Engelsche bezetting af te
lossen. Het schip, waarmede hij en zijn makkers vervoerd werden,
was de sterk verouderde oorlogsbodem “Braband”, die zóó
lek was, dat hij niet verder kwam dan de haven van Portsmouth.
Daar lag hij geruimen tijd stil. Van die gelegenheid maakte
Roentgen gebruik om eens een kijkje te nemen aan boord van de
stoomschepen, die toen reeds bij de Engelschen in gebruik waren.
Hij verzamelde ook literatuur over het onderwerp en verdiepte zich
in technische bijzonderheden. Toen de “Braband” tenslotte
onverrichterzake naar het vaderland terugzeilde, bracht Roentgen
kostbare gegevens mee, die hij verwerkte in het boekje
“Verhandeling over de stoombooten”. Dit boekje trok nogal de
aandacht. Het Provinciaal Utrechts Genootschap bekroonde deze
publicatie met een gouden medaille, maar voor Roentgen was van
meer beteekenis, dat hij enige kapitaalkrachtige Rotterdammers had
weten warm te maken voor het denkbeeld een stoombootlijn te openen
op Antwerpen. Hij vroeg concessies aan voor zulken dienst en nog vóór
hij daarop een gunstige beschikking ontving, gaf hij reeds
opdracht met den bouw van een schip te beginnen. De warme
belangstelling voor de stoomvaart in hofkringen gaf hem de
zekerheid, dat hem die goedkeuring niet onthouden zou worden. Hij
had zich niet vergist. Begin 1823 kwam de toestemming af en op 16
Juli, toen het schip gereed lag om voor het eerst naar Antwerpen
te stoomen, begaf zelfs de Koning zich naar Rotterdam om deze
historische reis mede te maken.
Het schip werd
ondergebracht in de N.V. Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij, die
op 1 Maart 1824 werd opgericht. Roentgen was er de ziel
van. Het schip voldeed goed, doch de geestdrift voor de stoomvaart
en het vertrouwen in haar toekomst, dat Roentgen aan den dag
legde, mochten dan al weerklank vinden bij den Koning en zijn
omgeving, in de kringen van reeders en kooplieden stuitten zij af
op kortzichtig conservatisme. Een jaar na de eerste reis van de
“Nederlander” stelde Roentgen op de stichtingsvergadering van
de Nederlandsche Handel-Maatschappij voor een geregelden
paketdienst te openen van Nederland op Indië. De aandeelhouders
waren er eenparig tegen. De Stoomboot-maatschappij, die tegelijk
reederij en werf was, bleef niettemin voortgaan stoombooten te
bouwen en in gebruik te nemen, zij het voorloopig alleen voor de
binnenvaart.
Eenige jaren
tevoren was echter al aangetoond, dat stoombooten wel degelijk
bruikbare schepen konden zijn, ook in de groote vaart. De
Nederlandsche regering toch had in Engeland het s.s. “Calpe”
gekocht om het onder de naam “Curaçao” in de vaart te
brengen voor een passagiers- en postverbinding met West-Indië.
Het schip maakte in het begin van 1827 zijn eerste reis
naar Paramaribo en terug, waarmede tevens de eerste
transatlantische stoomvaartverbinding ter wereld tot stand
gebracht was! Er was wel eerder een schip met een stoommachine den
Oceaan overgestoken, maar dat was dan meer een zeilschip met
hulpstoomvermogen dan een stoomschip met hulpzeilvermogen. Van de
“Curaçao” kon aangetoond worden, dat zij meer gestoomd
dan gezeild heeft. Het bleef trouwens niet bij dit experiment. Het
s.s. “Curaçao” is tot 1846 in dienst gebleven
voor den maildienst op West-Indië.
De Nederlandsche
Stoomboot-Maatschappij liet zich niet afschrikken door een fiasco
met haar eerste zeestoomboot. Zij vatte nieuwe plannen op, wilde
lijnen openen van Amsterdam op Hamburg, van Rotterdam op Londen en
van Amsterdam op Antwerpen en op Londen. De mannen, die deze
vennootschap gesticht hadden, wilden haar maken tot een nationale
onderneming, de belangen dienend van het geheele vaderland. Edoch,
de Amsterdammers zagen in de experimenten van deze vooruitziende
mannen een locaal Rotterdamsch streven, dat zij slechts met eenige
geringschatting hadden waargenomen tot het oogenblik, waarop de
Stoomboot-Maatschappij ook Amsterdam in haar plannen wilde gaan
opnemen. Dàt was hun eer toch te na. Als er dan een
stoombootdienst van Amsterdam uit ondernomen moest worden, konden
zij het zelf ook nog wel. Uit deze hoovaardige verontwaardiging
ontstond in 1825 de Amsterdamsche Stoomboot-Maat-schappij.
VAN AMSTERDAM UIT.
Tot directeur van
deze onderneming werd benoemd de ook nog jeugdige Amsterdammer
Paul van Vlissingen, die twee jaar na Roentgen was geboren. Deze
jongeman had op het departement van Oorlog een officiersleiding
gevolgd en was naar Indië gezonden, waar hij een administratieve
functie bij de troepen had vervuld. In 1823 was hij
huiswaarts gekeerd, zoodat hij de worsteling van Gerhard Roentgen
van den beginne af had kunnen volgen. Dat zal hij ook wel gedaan
hebben, want zijn hoofd was van soortgelijke plannen vervuld als
dat van zijn Rotterdamschen rivaal. Hij wilde lijnen openen op
Hamburg, op Londen, op Harlingen en eenige havens aan de
Zuiderzee. Met het kleine s.s. “Onderneming”, gekocht
in Engeland, begon hij op Hamburg te varen. Weldra echter kocht
hij meer schepen, waarmede diensten op onderscheidene
Zuiderzeesteden geopend werden. En terwijl de Nederlandsche
Stoomboot-Maatschappij te Rotterdam er spoed achter zette om het
s.s. “Batavia” te voltooien, waarmee zij van plan was
een dienst op Hamburg te beginnen, kocht de Amsterdamsche
Stoomboot-Maatschappij eensklaps twee voor dien tijd groote
zeewaardige stoombooten aan, waarmede zij onder de namen “Willem
I” en “Beurs van Amsterdam” vaste diensten opende
op Hamburg en Londen. Roentgens plan lag dus in duigen. Dat de
A.S.M. geen winsten afriep en met regeeringsvoorschotten op de
been gehouden moest worden, kon daaraan niets afdoen. De “Batavier”
werd voltooid en Roentgen probeerde er een dienst mee van
Rotterdam op Londen. Dat ging niet al te best in het begin, want
de Engelsche Navigation Act, die nog tot 1849 van kracht
zou blijven, verhinderde een krachtige ontplooiing. Na dat jaar
ontwikkelde het vervoer zich echter in sterke mate, al waren er
ook zoo nu en dan nog perioden van inzinking. Maar hoe het zij,
dit was het begin van de oudste Nederlandsche stoomvaartlijn, die
het tot op den huidigen dag heeft kunnen bolwerken.
Ondanks dezen
concurrentiestrijd tusschen Rotterdam en Amsterdam telde de
Nederlandsche koopvaardij omstreeks 1830 nog steeds niet
meer dan een handjevol zeewaardige stoomschepen, te weten de
rijkspaketboot op West-Indië, de boot van Rotterdam op Londen en
die van Amsterdam op Londen en Hamburg. De kleine “Onderneming”
deed dienst op de Zuiderzee. Zoo bleef het jaren lang. Van een
stoomvaartlijn op Indië droomde Roentgen, die zijn tijd ver
vooruit was, maar hij zag geen kans haar te verwezenlijken. Wel
kwamen er meer stoombooten op de rivieren en in de binnenvaart. Te
Deventer werd de Rijn-IJssel-maatschappij opgericht, die met drie
ijzeren stoomschepen diensten onderhield van Amsterdam via de
Zuiderzee en den IJssel op het Rijnland. IJzeren schepen waren
het; dat was wat bijzonders in dien tijd. Weliswaar had Roentgen
met zijn vooruitzienden blik allang voorspeld, dat in de toekomst
alle schepen van ijzer zouden zijn, men bleef echter de schepen,
ook de stoomschepen, van hout bouwen. De drie Rijn-IJssel schepen
deden echter duidelijk uitkomen, dat de ijzerbouw vele voordeelen
bood. De Deventer maatschappij hield het tot 1865 uit.
Daarna nam de Amsterdamse Rijn Stoomvaart-Maatschappij haar taak
over, maar zij liet haar booten via het Merwedekanaal en de
Keulsche Vaart naar de de Waal varen.
Zoo gingen er na
het eerste succes van Roentgen tien, twintig jaren voorbij zonder
dat er meer dan vier zeewaardige stoomschepen hun plaats kwamen
opeischen in de Nederlandsche koopvaardijvloot, terwijl
daarentegen in de binnenvaart het aantal stoomschepen gestadig
groeide. Dit merkwaardige verschijnsel vloeide voort uit de
onvolkomenheid der stoommachines, die een onevenredig groote
plaats voor zichzelf en voor haar kolenvoorraad opeischte, zoodat
er weinig nuttige laadruimte over bleef. Vandaar, dat men de
meening was toegedaan de stoomschepen alleen te kunnen gebruiken
voor post- en passagiersvervoer. Voor het vervoer van
massagoederen en van stukgoederen, die niet te duur mochten
worden, zouden, zoo meende men, steeds groote zeilschepen noodig
blijven. Die hadden een aanzienlijke laadruimte en waren veel
goedkoper in het gebruik. Dat was inderdaad nog zoo in die dagen;
pas langzamerhand zou het stoomschip verbeterd worden en ook
daarin zou Roentgen weer een belangrijk aandeel hebben.
VERBETERINGEN.
Van groot belang
toch voor de ontwikkeling der stoomvaart was zijn uitvinding der
compound-machine. In Roentgens eerste stoomboot “Nederlander”
stonden twee lage drukcylinders, die uit Engeland waren ingevoerd.
Zij dienden tot voorbeeld van de scheepsbouwers hier te lande,
maar het geniale inzicht van Roentgen ontdekte al spoedig de
tekortkomingen er van. Hij zon op verbeteringen en hij kreeg de
gelegenheid een zijner denkbeelden aan de practijk te toetsen,
toen hij in 1829 een sleepboot moest herstellen. In dat
vaartuig bouwde hij naast een hoogedrukcylinder een
lagedrukcylinder, waarin de stoom werd opgevangen, die uit de
andere ontsnapte en die tevoren in de lucht was weggeblazen. Er
was al eens eerder naar zulk een oplossing gezocht, maar Roentgen
was de eerste, die de bruikbare constructie wist te vervaardigen;
deze vinding beteekende een aanzienlijke kolenbesparing. Hij had
er zoo’n succes mee, dat zijn gecombineerde stoommachines voor
hoogen en voor lagen druk, zooals hij ze zelf noemde, over heel
Europa werd gebruikt. De werf van de N.S.M, zijn onderneming,
hield er een schip alleen op na voor het vervoer van die machines.
Dat dit een zeilschip was is wel typeerend. Machines waren immers
massagoederen; dus werden zij per zeilschip vervoerd.
Roentgen
pousseerde nog twee nieuwigheden in de stoomvaart, waarvan hij
overigens niet de geestelijke vader was. Dat waren de ijzerbouw en
de toepassing van de schroef. Hij deed dat tegelijk bij den bouw
van het s.s. “Samarang”, waarvan overigens weinig
bekend is gebleven. Het was een zusterschip van de “Batavia”,
dat echter van hout was vervaardigd en met raderen was uitgerust.
Wat Roentgen en de N.S.M. met deze schepen bedoelden is niet
duidelijk. Naar de namen te oordelen is men geneigd te
veronderstellen, dat zij er een dienst op Java of op zijn minst in
den Indische Archipel mee wilden openen. Daar is echter nooit van
gekomen. Wel is de “Batavia” in Indië gekomen, maar
pas nadat de Nederlandsche regeering het schip had gekocht om er
een postdienst mee te openen van Batavia op Singapore.
De regeering, die
immers ook den dienst op West-Indië onderhield, was in die dagen
het particulier initiatief wel eens vaker vooruit. Zij kocht niet
alleen de “Batavia” van de N.S.M voor de vaart in Indië,
zij nam ook de “Willem I” van de A.S.M., die van
Amsterdam op Hamburg voer, over, met het doel er een dienst mee
van Nederland op Indië te openen. Dat streven mislukte echter
helaas. Weliswaar bereikte dit schip het Nederlandsche
eilandenrijk, maar nauwelijks was het er, of het liep in de
Bandazee op de rotsen. Ondanks het weinige succes met de
stoomvaart ter zee waagde Roentgen het, een plan te ontwerpen voor
een stoomvaartlijn van Rotterdam op New York. Hij wilde dezen
dienst onderhouden met een voor dien tijd buitengewoon groot
ijzeren schip, geschikt voor het vervoer van 180 passagiers
eerste- en tweede klasse en 400 landverhuizers tusschendeks; de
lading zou bijzaak zijn. Volgens zijn berekening zou dit schip
ruim een miljoen gulden moeten kosten. Hij vond echter niemand,
die dit experiment durfde bekostigen.
De A.S.M. kwam
tot grooten bloei. Toen zij op haar hoogtepunt stond, onderhield
zij stoomvaartlijnen op Duinkerken, Londen, Hull, Hamburg, Harburg,
Stettin, Stockholm en St. Petersburg. Maar na de oprichting van de
K.N.S.M., en de opkomst van andere maatschappijen schrompelde zij
ineen. De schepen verouderden en werden niet vervangen. Sommige
andere reederijen namen de lijndiensten van haar over, tot er te
langen leste niets overbleef. Bij den dood van Paul van Vlissingen
in 1876 had zijn maatschappij haar beteekenis geheel
verloren.
Met Roentgens
maatschappij, de N.S.M., ging het al niet veel beter. Zij hield
het weliswaar een beetje langer uit, doch moest tenslotte ook het
loodje leggen. Merkwaardig genoeg werkte zij aan haar eigen
ondergang mee, door in 1886 samen met de H.Y.S.M. de
Hollandsche Stoomboot-maatschappij te stichten, die van Amsterdam
uit in aansluiting op het Europeesche spoorwegnet diensten opende
op Engelsche havens. De N.S.M. stond een schip voor deze
maatschappij af en voerde er aanvankelijk de directie over, maar
al spoedig stond zij haar aandelen en de leiding af aan de
spoorwegmaatschappij. De N.S.M. ondervond van deze dienst, die ten
deele haar eigen schepping was, zooveel concurrentie, dat zij zich
in 1889 genoodzaakt zag de Batavierlijn te verkoopen aan de
inmiddels te Rotterdam opgerichte firma Wm. H. Műller &
Co. Zoo kwam er een einde aan het tijdperk der stoomvaartpioniers
en hun plompe raderbooten. De periode der groote
scheepvaartmaatschappijen met haar trotsche Oceaanstomers en
Oostinjevaarders was inmiddels reeds begonnen. Zij zou voor het
Vaderland van zeer grote beteekenis worden.
DE VERRE ZEE.
De Nederlandsche
scheepvaart zou echter nooit zoo’n vlucht hebben kunnen nemen,
als niet de overheid tijdig gezorgd had voor een goede verbinding
van de groote havensteden met de zee. “Kent gij het land, der
zee ontrukt?” vraagt een volksliedje. Wie die vraag bevestigend
kan beantwoorden, weet, dat de steden in dat land, ook de
havensteden, ver van die zee af liggen. Vroeger was dat in nog
sterkere mate het geval.
Eeuwenlang
moesten de schepen, die van Amsterdam naar zee voeren, over de
Zuiderzee en dan door het Marsdiep tusschen Texel en het vasteland
of door het Vlie tusschen Terschelling en Vlieland naar buiten.
Het kon soms dagen duren, eer de schepen werkelijk buitengaats
waren. Als de wind ongunstig was waren de nauwe zeegaten moeilijk
te bezeilen. Van Rotterdam uit was het nog minder eenvoudig. De
gebruikelijke route was van de stad….. Oostwaarts via de Noord
naar Dordrecht en vandaar via de Dordtsche kil naar het Hollandsch
Diep. Daar hadden de schippers de keuze tusschen de route
benoorden Goeree, dat is het Haringvliet en het Goereesche Gat, en
die bezuiden Goeree, dat is het Volkerak, de Krammer, de
Grevelingen en het Brouwershavensche Gat. Het is duidelijk, dat
deze weg naar zee over de riviermonden voor de zeilvaart al even
lastig en omslachtig was. Men zou zich er over moeten verbazen,
dat Amsterdam en Rotterdam tot zulke belangrijke havensteden zijn
uitgegroeid, terwijl in het Noorden Hoorn en Enkhuizen en in het
Zuiden Dordrecht, die alle drie veel dichter bij de zee lagen, hun
belangrijkheid als zeehaven zoo niet geheel dan toch voor een
groot deel hebben verloren. Alleen Dordrecht heeft nog een beetje
zeevaart, maar dat heeft het te danken aan andere factoren dan
zijn ligging aan den ouden vaarweg.
Na den Franschen
tijd, onder het bewind van Koning Willem I, die in vele opzichten
het herstel en de bloei van de Nederlandsche scheepvaart heeft
bevorderd, werd een eerste poging ondernomen om verbetering te
brengen in de verbinding van de beide groote steden met de zee.
Voor Amsterdam was dit te meer noodzakelijk, daar het Pampus, de
geul tusschen de Zuiderzee en het (open) IJ, hoe langer hoe meer
dreigde te verzanden. Sommige schepen moesten hun waren op de
reede van Marken ten deele in lichters overladen om Amsterdam te
kunnen bereiken. Andere werden in scheepskamelen – dat waren de
voorloopers van de drijvende dokken – geplaatst en door middel
van zeilende sleepbooten over de ondiepte heengetrokken. De
tegenwoordige middelen om een vaargeul open te houden waren toen
nog niet bekend. In de jaren 1819 tot 1824 werd het
Groot Noord-Hollandsch Kanaal gegraven, een bijna 80 kilometer
lange vaarweg van Amsterdam naar Den Helder. Voor een deel werd
daarbij gebruik gemaakt van bestaande wateren, zooals de
Zuiderringvaart van de Beemster en de Westerringvaart van de
Schermer, die slechts vergroot behoefden te worden. Er waren drie
sluizen noodig en er werden beweegbare bruggen in gelegd, later
nog gevolgd door drie spoorbruggen. Een ideale vaarweg voor
zeeeschepen was dit ook allerminst, maar de Amsterdamsche reeders
en schippers waren er wat blij mee in die dagen. De grootste
schepen van dien tijd konden er door, want het kanaal had een
diepte van 4.50 meter en een bodembreedte van tien meter.
Eenige jaren
later, in 1827, begon men ten gerieve van de Rotterdammers
het Voornsche Kanaal te graven, een rechtstreeksche verbinding
tusschen de Nieuwe Maas en Hellevoetsluis aan het Goereesche Gat.
Het was 5.70 meter diep en de sluizen lieten schepen toe tot een
lengte van 110 meter.
Hoe lang men zich
voorgesteld heeft met deze belangrijk kortere verbindingswegen met
de Noordzee toe te kunnen weten wij niet, maar zij waren zeker
spoediger verouderd dan bij de ingebruikneming verwacht werd. Men
had namelijk bij het ontwerpen van deze kanalen geen rekening
gehouden met de stoomvaart. Die beteekende immers nog niets.
Nederlandsche stoombooten bestonden er in 1819 nog
heelemaal niet en in 1827 was de stoomvaart ook nog niet
verder dan het stadium der proefnemingen. Bovendien waren slechts
de zeer vooruitstrevende menschen er van overtuigd, dat het
mogelijk was met een stoomschip de zeeën te bevaren. Men nam de
vaartuigen met mechanische voortstuwing dus niet in aanmerking.
Trouwens, al had men dat wel gedaan, de afmetingen der beide
kanalen zouden waarschijnlijk niet anders zijn geworden, want de
eerste stoombooten waren kleiner dan de grootste zeilschepen.
Dat veranderde
echter in de loop der jaren. Toen de zeegaande stoomvaart hier te
lande wat begon te beteekenen, dat was in de tweede helft van de
negentiende eeuw, bleek, dat elk nieuw schip grooter was dan het
voorafgaande. De schepen groeiden met het jaar…. En dat doen zij
nog steeds. Er bestaan nu reeds Oceaanstomers van 80.000 bruto
registertonnen en niets wijst er op, dat daarmee de grens zou zijn
bereikt.
Die groei werd
verontrustend, zoowel voor Amsterdam als voor Rotterdam, zoodra de
schepen te groot werden voor de twee kanalen, die deze steden met
de zee verbonden. En het werd vooral duidelijk, toen Amsterdamsche
reederijen de lading hunner schepen te Nieuwediep in lichters
lieten lossen. Deze haven van Den Helder scheen de taak van
Amsterdam te zullen overnemen. Een oogenblik dreigde Vlissingen
een soortgelijke rol te zullen gaan spelen ten aanzien van
Rotterdam. Het is echter niet zoover gekomen.
In 1865
begon de aanleg van het Noordzeekanaal. Men had,voor men het Groot
Noord-Hollandsch Kanaal was gaan graven, ook al gedacht aan een
doorsnijding van de duinen bij Velsen, maar men had dat toen niet
aangedurfd. Als men daar een gat maakte, zoo dacht men, waar de
zee vrij toegang had, zou al het land achter die duinen wel eens
kunnen verdrinken. De waterbouwkundige wetenschap was echter in de
vijftig jaren, die sedertdien verloopen waren, zo toegenomen, dat
men het in 1865 wel aandurfde. Het IJ werd bij Schellingwoude ten
Oosten van Amsterdam afgesloten; sluizen hielden de verbinding met
de Zuiderzee in stand. En het afgesloten IJ, dat tot dicht bij
Velsen en Beverwijk reikte, werd voor het grootste deel ingedijkt
en drooggemaakt. Dwars door die aldus ontstane IJpolders werd het
Noorzeekanaal gegraven. Onder Velsen, waar de duinen moesten
worden doorgegraven, werden twee sluizen gemaakt. Tusschen deze
sluizen en die bij Schellingwoude kon met het water op peil
houden. Twee pieren ter lengte van 1200 meter moesten de geul voor
de buitenkom diep houden en kwade invloeden van de zee
verhinderen. In 1876 was het Noordzeekanaal gereed. Met
veel vertoon van feestelijkheden in het bijzijn van Koning Willem
III werd het in gebruik genomen.
Tezelfdertijd
kreeg Rotterdam eveneens zijn betere verbinding met de zee. In de
jaren 1866 tot 1872 werd namelijk de Nieuwe Waterweg
gegraven. Dat was en is geen kanaal, doch een nieuwe en
kunstmatige riviermond zonder sluizen voor de Nieuwe Maas van
Maassluis rechtstreeks naar zee. Men verwachtte, dat door de
werking van eb en vloed zoowel deze mond als de geul tusschen de
pieren van de kust tot het diepe water voldoende op diepte
gehouden zou worden. Die verwachting kwam niet helemaal uit. Nog
jarenlang heeft men naar verbeteringen moeten zoeken. Allerlei
veranderingen werden aangebracht, maar de afdoende oplossing werd
pas in de jaren 1920 tot 1922 gevonden, toen een
verbinding tot stand werd gebracht tusschen de Waterweg en de Oude
Maas, zoodat sedertdien ook deze rivier haar water door denzelfden
mond naar zee stuwt. Zonder veel moeite kan de diepte van de
vaargeul thans op 11.50 meter gehouden worden, hetgeen tot
dusverre voldoende is geweest. Er zijn wel schepen, die meer
diepgang maken, maar die zijn nog zeer gering in aantal en bevaren
routes, waar de Nederlandsche havens buiten vallen.
TWEE STEDEN.
Deze twee
waterwegen hebben Amsterdam en Rotterdam heel wat dichter bij zee
gebracht. Het Noordzeekanaal is 30, de Nieuwe Waterweg 33 km lang,
gemeten dan uit het hart van beide steden. En nog schijnt de zee
ver weg te liggen, want zoowel aan het IJ als aan de Nieuwe Maas
doet zich het onmiskenbare verschijnsel voor, dat de steden de
neiging hebben naar het Westen uit te groeien. De Oranjesluizen
bij Amsterdam en de spoorbruggen te Rotterdam verhinderen een
uitbreiding van de havens naar het Oosten.
Reeds zijn langs
den linkeroever van de Nieuwe Maas tal van nieuwe havens ontstaan
Westelijk van Rotterdam, terwijl de steden en stadjes op den
rechteroever aan elkaar groeien. Delfshaven is al geheel omgeven
door de bebouwing van Rotterdam, welke stad bovendien reeds zonder
een overgang van weide- of akkerland in Schiedam overgaat, terwijl
de ruimte tusschen deze laatste stad en Vlaardingen ook al hoe
langer hoe kleiner wordt. Alleen het oude Maassluis ligt nog een
beetje geïsoleerd, al doet dit stadje in sommige opzichten –
o.a. als sleepbootstation – dienst als voorpost van Rotterdam.
Ten Westen van
Amsterdam liggen in den nog jonge IJpolder geen stadjes of dorpen,
die aan Amsterdam vast kunnen groeien, maar in het algemeen
uitbreidingsplan der stad is een reeks van nieuwe havens
geprojecteerd tusschen de Houthaven en het Zijkanaal F, dat ter
hoogte van Halfweg ligt.
Een bijkomstig
verschijnsel is, dat zoowel aan den mond van den Nieuwen Waterweg
als aan dien van het Noordzeekanaal een voorstadje is ontstaan,
Hoek van Holland en IJmuiden. Laatstgenoemde plaats is verreweg de
belangrijkste geworden.
Tegenover al deze
parallellen staat het groote verschil, dat Rotterdam een open
verbinding met de Noordzee heeft, terwijl Amsterdam alleen via een
sluis te bereiken is. Rotterdam is daar niet weinig trotsch op,
maar Amsterdam ondervindt er in de practijk weinig nadeel van. Het
feit, dat de haven van Amsterdam geen eb en vloed en geen stroom
kent, is ook wat waard. En wat die sluis betreft, de hoofdstad
vindt daarin op een of andere wijze een reden om trotsch te zijn.
In het begin werden bij IJmuiden twee sluizen tegelijk en naast
elkaar gemaakt. De kleinste is 69 meter lang, 12 meter breed en de
drempel ligt 5.24 meter onder N.A.P.; de andere is 119 meter lang,
18 meter breed en de drempel ligt 8 meter onder N.A.P. Twintig
jaar later, in 1896 dus, moest een grootere sluis in
gebruik genomen worden, metende 205 bij 25 bij 10 meter. En ook
deze bleek op den duur niet ruim genoeg te zijn en in 1928
kwam de vierde sluis gereed. Zij meet 400 bij 50 bij 15 meter.
Voorzichtigheidshalve was zij een beetje op de toekomst berekend.
Er is nog nooit een schip naar Amsterdam gevaren, dat dieper dan
10 meter stak. Trouwens, het zou zich in de haven nauwelijks
kunnen roeren, want daar is de diepte van het IJ lang niet overal
voldoende voor.
De reden, waarom
de hoofdstad trotsch is op die laatst gebouwde sluis, ligt
besloten in het feit, dat dit de grootste ter wereld is. Op een na
de grootste is de Noordersluis te Bremen, die 372 bij 45 bij 14
meter meet. En dan volgen de sluizen van het Kielerkanaal met 330
bij 45 bij 13.50 meter, de sluis te Emden met 260 bij 40 bij 13
meter, de Kruisschanssluis met 270 bij 35 bij 13 meter en de
sluizen van het Panamakanaal met 305 bij 33 bij 13.30 meter. En nu
ik toch allerlei getallen aan het opsommen ben, kan ik er nog wel
bijvertellen, dat het Noordzeekanaal ook al het grootste kanaal
ter wereld is met een bodembreedte van 100 meter en een diepte,
die binnenkort over de gehele lengte 14,50 zal bedragen. Het
Panamakanaal is 91.50 meter breed en 13.72 meter diep, het
Suezkanaal is 60 meter breed en 13 meter diep; het
Manchesterkanaal meet 50 meter breedte en is 8.53 diep.
Het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg
hebben millioenen en millioenen guldens gekost en zij kosten nog
steeds veel geld aan onderhoud. Maar daar staat tenslotte
tegenover, dat de twee grootste steden van ons land haar
scheepvaart hebben kunnen behouden. Zouden deze waterwegen niet
gegraven zijn, dan waren Amsterdam en Rotterdam doode steden
geworden, gelijk Hoorn en Enkhuizen, die ook een bloeiend
scheepvaartbedrijf hebben gehad. Dan ook had men geen behoorlijke
verbinding tot stand kunnen brengen met de overzeesche gebieden.
En dan ook was er nooit dat uitgebreide net van scheepvaartlijnen
over de geheele wereld onder Nederlandsche vlag ontstaan, waaraan
zovele tienduizenden Nederlanders hun bestaan en hun welvaart te
danken hebben. Aan het tijdig tot stand komen van de twee groote
waterwegen, die de verre zee tot voor de poorten der voornaamste
havensteden hebben gebracht, hebben de reederijen, waarvan de
beschrijving hier volgt, haar opkomst en haar bloei te danken
gehad. Maar daaraan alleen ook weer niet. Oorsprong van het
uitgebreide Nederlandsche scheepvaartbedrijf is in de eerste
plaats de gunstige ligging van ons land ten opzichte van de
omringende landen van Europa. Edoch, als die natuurlijke
omstandigheid niet was aangevuld door kunstmatige verbeteringen,
zoowel van de verbindingen van de havens met de zee als van de
havens zelf, zou zij geenszins tot haar recht zijn gekomen. Ook
over de verbetering der havens zou ik kunnen schrijven, maar dat
valt min of meer buiten het bestek van dit werkje. Laat ik
volstaan met er op te wijzen, dat Amsterdam en Rotterdam als
moderne zeehavens beschikken over vele kilometers lange kaden aan
diep water, over honderden pakhuizen en loodsen, over tientallen
rijdende kranen en graansilo’s, over vlothavens voor hout en
tankinstallaties voor olieproducten, over lichters en dekschuiten,
sleepbooten en vletters, dokken en werven, over verbindingen met
het achterland en over tientallen groote en kleine inrichtingen,
die nu eenmaal tot de onmiskenbare outillage ban een haven
behooren. Vroeger was bij het varen… het varen de hoofdzaak;
thans lijkt het wel eens of de bijkomstigheden van overheerschende
beteekenis zijn geworden. Of dat zoo is, wil ik in het midden
laten. Maar het is wel duidelijk, dat men met zeelieden alleen,
hoe bekwaam ook, geen koopvaardijvloot en geen scheepvaartbedrijf
tot stand brengt.
VAN “DIDO” TOT “COLOMBIA”.
Pas als de havens
een behoorlijke verbinding met de zee hebben en goed uit- en
toegerust zijn, kan zich zulk een bedrijf ontwikkelen en wil men
een vloot onder eigen vlag onderhouden, dan moeten bovendien
kapitaalkrachtige personen of ondernemingen genegen zijn de
tientallen millioenen guldens bijeen te brengen, die in dezen tijd
daarvoor noodig zijn. Amsterdam en Rotterdam hebben nu elk een
prachtigen toegangsweg tot de zee, beider havens zijn voorzien van
alle benoodigdheden en in beide steden zijn eertijds de groote
sommen bijeengebracht, met behulp waarvan de reederijen van thans
tot stand zijn gekomen.
De oudste onzer
groote stoomvaartrederijen is waarschijnlijk de K.N.S.M. Weliswaar
bestaan er oudere scheepvaartbedrijven, maar die zijn dan
voortgekomen uit zeilvaartondernemingen, zooals bijvoorbeeld de
Rotterdamsche Lloyd.
De K.N.S.M. heeft
haar kaden en etablissementen in het Oostelijk gedeelte van de
haven van Amsterdam. Daar kan men in normale tijden dagelijks haar
schepen, kenbaar aan de twee witte banden om den zwarte
schoorsteen, zien liggen laden en lossen. Daar heerscht
voortdurend bedrijvigheid in dien uiterste hoek van het IJ. Toch
kan men er nooit een volledig beeld krijgen van de vloot dezer
maatschappij. Het grootste aantal der schepen is natuurlijk
voortdurend onderweg. Er zou trouwens lang geen plaats voldoende
zijn voor al die groote en kleine zeeschepen, want het zijn er
ongeveer tachtig en zij meten tezamen zoowat 200.000 bruto
registerton. Daar zijn heele kleine bij zoals de “Dido”
en de “Doura”, elk metende 388 ton, die nooit de
West-Indische wateren verlaten, maar er behooren ook schepen toe,
die men rekent tot wat in de lyriek de trotsche zeekastelen heet.
Het fraaie motorschip “Colombia” , dat bijna 11.000 ton
meet, is het vlaggeschip van de maatschappij. De commodore van de
reederij, dat is de oudste gezagvoerder, heeft ingevolge een
algemeene traditie het bevel over dit vracht- passagiers- en
mailschip, dat tot het voorjaar van 1940 de route heeft
bevaren van de stoompaket “Curaçao”, die immers meer
dan honderd jaar geleden reeds een stoomvaartdienst tusschen
Nederland en West-Indië onderhield. De oudste transatlantische
stoomvaartlijn ter wereld wordt dus nog steeds bevaren. En druk
bevaren zelfs, want van de Nederlandsche gebieden in de Caraïbische
Zee is vooral het eiland Curaçao uitgegroeid tot een belangrijke
wereldhaven. De New Yorkers, die gaarne een beetje snoeven op hun
stad, noemen Times Square het kruispunt der wereld. Dat is
schromelijk overdreven. Maar het is zeker niet overdreven Curaçao
het kruispunt der Nieuwe Wereld te noemen. Het verkeer op dat
kruispunt bestaat voor een groot deel uit scheepvaart onder
Nederlandsche vlag.
Het zou
ondoenlijk zijn alle schepen van de K.N.S.M. bij name te noemen.
En het zou ook geen zin hebben, want elk jaar verandert de lijst
van scheepsnamen. Een goed beheerde reederij laat haar schepen
niet langer dan 20 à 25 jaar meegaan. Zij zijn dan geheel
afgeschreven in de boeken en als er geen groote tegenslagen zijn
geweest, is dus het kapitaal voorhanden om het af te danken schip
door een nieuw en beter te vervangen. Het is een oude gewoonte bij
het vernieuwen der vloot de namen der schepen te handhaven.
Zoo telt de vloot
van de K.N.S.M een stoomschip “Berenice”, welke naam
ook al voorkwam in 1857. Destijds was dat een der drie
stoomschepen van 450 ton, waarmee de toen nog piepjonge
maatschappij haar lijndiensten begon. Zij waren in Schotland
gebouwd, want schepen laten bouwen in Nederland durfde de directie
toen nog niet aan, al bestond daartoe wel de gelegenheid. ’t Is
misschien wel aardig de voorgeschiedenis van de maatschappij even
te vertellen.
SONT- EN STRAATVAART THANS.
In 1856
werd de K.N.S.M. gesticht. De oprichters waren Amsterdamsche
kooplieden. Een der meest actieve was wel de 25-jarige makelaar in
koffie Chr. W.J. Ramann, een Beier, die al geruimen tijd te
Amsterdam woonde en er o.m. aan het hoofd stond van een reederij
onder Mecklenburgse vlag op het Hannoversche stadje Harburg en de
Deensche voorstad Altona van Hamburg. Hij had dus eenige ervaring.
En al maakte hij geen groote winsten met zijn beide schoenertjes,
zijn kennis van zaken maakte, dat men hem tot directeur verkoos.
De andere directeuren waren de heeren Insinger en Von Hemert. Dit
drietal reisde nog in den loop van hetzelfde jaar naar Rotterdam,
waar het Schotse stoomschip “Nina” was aangekomen, zoo van de
werf af. De drie heeren gingen het bezichtigen. Een mooi schip
vonden zij het. Het mat 300 ton en had zoo weinig diepgang, dat
het ook in geladen staat de ondiepten van het Pampus kon passeeren.
Het liep elf knopen en kon behalve de bemanning nog 30 passagiers
vervoeren. De heeren vernamen, dat het 9.000 pond sterling zou
moeten kosten. Zij deden een bod van 8.500 pond en kregen het. Dat
was het eerste eigen schip van de K.N.S.M.-vloot. Onder den
naam “Ondine” nam het de plaats in van de Kamper
raderboot, die de heeren gecharterd hadden om alvast te kunnen
beginnen met de vaart op St. Petersburg.
De kleine “Ondine”
voldeed zoo goed, dat de heer Insinger naar Schotland reisde om er
nog vier schepen bij te bestellen, een van 300 en drie van 450
ton. Een van die drie kreeg den naam “Berenice”. Het
was naar onze hedendaagsche opvattingen nogal een raar schip, maar
dat waren tenslotte alle schepen in dien overgangstijd van zeil-
naar stoomvaart. Midscheeps stond de voortstuwingsmachine met een
langen schoorsteen boven het dek uit. Voorts waren er drie masten,
een voor en twee achter den schoorsteen, waaraan zeilen werden
gevoerd. Ook had het schip een kluiverboom. Het was compleet
getuigd als zeilschip. Jarenlang was het niet duidelijk of deze
vaartuigen nu zeilschepen waren met hulpstoomvermogen waren dan
wel stoomschepen met hulpzeilvermogen. In den tijd van de “Berenice”
was de techniek echter al wel zoover voortgeschreden, dat de
machines voortdurend werkten, zoodat de zeilen bijzaak waren
geworden. Het zou
echter nog vele jaren duren alvorens de zeilen geheel van de
stoomschepen verdwenen. De masten zijn er nu nog niet af, maar zij
hebben een geheel andere taak gekregen. Zij dragen de laadboomen
en de radio-antennes.
Van antennes was
nog geen sprake omtrent het midden van de vorige eeuw. Da radio
moest nog worden uitgevonden, gelijk zooveel, dat thans als
vanzelfsprekend aanvaard wordt. Een merkwaardig staaltje van de
moeilijkheden, die de stoomvaart omstreeks 1860 kreeg te
overwinnen, deed zich voor, toen de K.N.S.M. een lijn wilde openen
op Bordeaux, vanwaar veel wijn naar ons land werd uitgevoerd. Het
denkbeeld een stoomvaartdienst op die stad te beginnen werd
algemeen afgeraden op grond van het feit, dat de
wijnhandelaren beslist geen wijn wilden hebben, die per
stoomboot verzonden was. Die moest bedorven zijn, meenden ze, door
de hitte van de machines en het getril van het schip. Wijn kan
alleen maar per zeilschip overgebracht worden, was de algemeene
opvatting. En de zeilschipkapiteins en -reeders moedigden deze
opvatting maar al te gaarne aan. De directie van de K.N.S.M.
waagde het een aanval te doen op dit vooroordeel; zij opende een
lijn van Amsterdam op Bordeaux. Het vooroordeel verdween en de
lijn bestaat nog steeds.
Deze lijn was een
van de vele, waartoe de K.N.S.M. het initiatief nam. Haar doel was
de eeuwenoude Sontvaart en de veel jongere Straatvaart door middel
van stoombooten in geregelde banen te leiden. Zoowel in de Oostzee
als in de Middellandsche Zee was de Nederlandsche driekleur een
bekende verschijning geweest vóór den Franschen tijd, maar het
intensieve verkeer daarheen was nadien niet in diezelfde mate
hersteld. Een verloren gegaan gebied moest dus opnieuw veroverd
worden. Het plan stond bij het begin reeds vrij nauwkeurig vast en
het is stelselmatig uitgevoerd. Thans varen de schepen van de
K.N.S.M. op Hamburg, de voornaamste havens der Scandinavische
landen, de Duitsche Oostzeehavens tot en met Koningsbergen, de
Westkust van Frankrijk, de kusten van Spanje en Portugal, de
Zuidkust van Frankrijk, de Italiaansche en de Adriatische havens
en de groote steden van Griekenland en Turkije, benevens die van
Roemenië en van den geheele Levant, Palestina en Egypte
inbegrepen, en tenslotte een aantal Noord-Afrikaansche havens.
Naast de K.N.S.M.
ontstonden echter andere Amsterdamsche reederijen, waarvan de
maatschappij “Oostzee” met elf schepen van tezamen 46.000 br.t.
wel genoemd mag worden. De naam zelf zegt reeds, waar zij haar
vrachten zoekt. Hetzelfde aantal schepen bezit de reeds eerder
genoemde Hollandse Stoomboot-Maatschappij, die de verbindingen met
Engeland aanzienlijk uitbreidde en intensiveerde.
Volledigheidshalve moeten bij deze opsomming ook genoemd worden de
maatschappij “Nederland” met 32 en de K.P.M. met ruim 130
schepen – waarover straks meer – benevens de
Java-China-Japan-lijn. Beide laatstgenoemde reederijen zijn alleen
maar te Amsterdam gevestigd; zij varen buiten Europa. Ook is in de
hoofdstad geregistreerd een vloot van de Nederlandsch-Indische
Steenkolenhandelmaatschappij, waarvan de scheepjes in Indië hun
taak verrichten. In 1912 ontstond er een fusie tusschen de
K.N.S.M., en de K.W.I.M., die sinds 1883 de verbinding met
West-Indië onderhield. Sedertdien komen de schepen der
eerstgenoemde reederij – de andere naam is vervallen – ook in
de Caraïbische Zee, waar zij talrijke havens bedienen. Van de
Nederlandsche gebieden aldaar uit is een lijn ontstaan op New York.
En in den loop der jaren hebben de schepen der K.N.S.M. ook het
gebied verkend ten Westen van het Panamakanaal. Ook daar bleek
vracht te halen, zoodat er een Zuid-Pacific-lijn ontstaan is, die
de verbinding van Europa met alle republieken langs de Westkust
van Zuid-Amerika onderhoudt. Alleen op de West-Indische lijnen van
de K.N.S.M. varen passagiersschepen. De vloot bestaat voor het
meerendeel uit vrachtbooten, waarvan de meeste echter wel zes of
acht passagiers mee kunnen nemen. Een reis aan boord van zoo’n
schip op een van de Middellandsche Zee-lijnen, bijvoorbeeld, is in
vredestijd een ongekend genot. Alleen moet men daarvoor over veel
vrijen tijd beschikken.
HET LEVEN AAN BOORD.
Het leven aan
boord van zoo’n simpele vrachtboot is heel eenvoudig, maar men
leert er den zeeman kennen in zijn dagelijksch leven en zijn mooie
werk. Men leert hem bewonderen, als het stormt, en benijden, als
de zee kalm is. Men zit met hem aan tafel, men drinkt een mok
koffie met hem op de brug en een borrel op het sloependek of de
onderbrug, men deelt met hem de geneugten van de Dinsdagsche
raasdonders en de Zaterdagsche snert, men ziet hem overdag de
eilanden en des nachts de vuren verkennen, men ziet hem werken met
de sextant en met de log, men ziet hem de kaart bijhouden en de
wachten indeelen. Kortom, men trekt met hem op van den ochtend tot
den avond. De merkwaardigste indruk, dien men daarbij opdoet, is
wel die der grootte en niettemin ongedwongen hoffelijkheid,
waarvan met moet aannemen, dat zij ontstaan is als een natuurlijke
tegenhanger van de onverbiddelijke tucht aan boord. De meerdere
wordt onvoorwaardelijk gehoorzaamd; dat schept verhoudingen, die
aan den wal niet voorkomen. Onderdanig en kruiperig zijn de mannen
van de koopvaardij geenszins, maar zij hebben een fijn ontwikkeld
gevoel voor verhoudingen. Nooit zal een mindere onbeleefd zijn
tegen een meerdere, maar hij kan er ook op rekenen, dat die
meerdere hem nimmer onrechtvaardig zal behandelen. Datzelfde
gevoel voor verhoudingen bestaat ook tusschen de schepen
onderling. Bij een ontmoeting op zee zal een klein schip het eerst
groeten en bij gelijke grootte het schip van de kleinste reederij.
De correctheid wordt zorgvuldig in acht genomen. Als de vlaggen op
twee schepen, die elkaar passeeren, na elkander gestreken zijn,
gaan zij beide tegelijk langzaam en plechtig weer omhoog op het
oogenblik, waarop de schepen precies dwars van elkaar zijn.
Zoo zijn er tal
van ongeschreven wetten aan boord en op zee, waarvan de landrot
eigenlijk veel te weinig afweet. Die dingen ontdekt men alleen,
als men een reis op een vrachtboot meemaakt. Van dit alles
verneemt men niets, als men passage boekt op een van de weelderige
mailstoomers of Oostinjevaarders. Daar komt een passagier
eigenlijk alleen maar in aanraking met den civielen dienst, het
personeel van den administrateur en de hofmeesters. Dat mogen
evenzeer bevaren lieden zijn, zij verrichten geen zeemanswerk, al
zijn zij dan ook onmisbaar aan boord van passagiersschepen. De
officieren komen alleen in de salons als zij geen dienst hebben en
het lagere personeel komt er heelemaal niet.
Den zeeman in
zijn doen en laten krijgt de passagier aan boord van een mailboot
niet te zien. Nog sterker, het is gebeurd, dat zulk een passagier,
die al eenige dagen op weg was van Europa naar Amerika, aan een
bediende vroeg:
- Hofmeester, hoe
vind ik de weg naar zee?
De hofmeester
vond het niet eens gek. Hij antwoordde prompt:
- Drie dekken
hooger, aan het einde van de gang de zeventiende deur aan Uw
rechterhand en dan maar rechtuit.
De passagier vond
het inderdaad en hij ontdekte nog veel meer. Een complete
winkelstraat zelfs. Zoo’n straatje hebben alle groote
passagiersschepen tegenwoordig. Sommige hebben zelfs een eigen
naam. Het straatje aan boord van het motorschip “ORANJE”
bijvoorbeeld heet naar een Amsterdamsch equivalent de
Binnen-Oranjestraat.
In de winkeltjes
die men daar aantreft, is van alles en nog wat te koop.
Reissouvenirs en Baedekers, speelkaarten en boeken, parfums en
bonbons, te veel om op te noemen. Er zetelt ook een kapper, die
het elken dag druk heeft, zoowel met de dames als met de heeren,
want er wordt flink toilet gemaakt op deze schepen. Men heeft er
den tijd voor. De maaltijden in de prachtige eetsalons, die met de
mooiste restaurants in de groote steden kunnen wedijveren, duren
lang en zijn gezellig. Men steekt er zich voor in avondkleeding.
Meestal is er muziek tijdens noen- en avondmaal, want tot de
bemanning van zulke schepen behoort tegenwoordig ook een volledig,
zij het klein, orkest. ’s Avonds doet het dienst in de danszaal,
waar de dansen elken avond worden afgewisseld door
gezelschapsspelen. Daar duurt de pret vaak tot diep in den nacht.
Aan sluitingsuren en dergelijke bepalingen is men niet gebonden.
Politie-agenten komen er nimmer om de deur kijken om te zeggen,
dat artikel zoo- en zooveel overtreden wordt. Het is er een
luxe-leventje, waaraan niets ontbreekt. Wie geen lust heeft in
dansen, kan zich aan de bar vermeien en wie het daar te rumoerig
vindt gaat naar de leeszaal om er een boek uit de kast te halen of
hij trekt zich terug in het stilste hoekje van het schip, de
schrijfkamer.
Die schrijfkamer
is meestal een stemmig zaaltje, dat ook gebruikt wordt voor…
godsdienstoefeningen. Tot den inventaris behooren ook een kansel
en een altaar. Zoo wordt er ook aan de geestelijke verzorging alle
aandacht besteed. Ook Mohammedaansche godsdienstoefeningen zijn
geen zeldzaamheid aan boord van Nederlandsche schepen. De
Oostinjevaarders varen met bemanningen, die voor een groot deel
uit Javanen en Madoerezen bestaan. Die hebben dan hun eigen
tempeltje in hun logiesruimte. Soms komt het ook voor, dat alle
passagiers uit Mohammedanen bestaan. Dat is het geval als de
schepen voor de hadsji-vaart worden gebruikt. Elk jaar gaan er
duizenden Inlanders van Ned.-Indië een pelgrimstocht maken naar
Mekka, waarbij zij dan van Nederlandsche schepen gebruik maken,
die daarvoor speciaal zijn ingericht.
Deze Oosterlingen
stellen overigens minder eischen dan de Europeesche passagiers der
mailbooten. Die worden in alle opzichten verwend. Zij hebben
bijvoorbeeld ook hun eigen dagblad aan boord. De marconist vangt
uit den aether dagelijks het laatste nieuws op, aan de hand
waarvan dan een bulletin wordt samengesteld ten gerieve van de
passagiers. Zoo hebben de opvarenden nooit het gevoel het contact
met het vasteland te hebben verloren, hetgeen vroeger heel sterk
het geval was. Zij kunnen trouwens ook te allen tijde
radiotelegrafisch in verbinding treden met welke plaats ter wereld
ook. Al deze vormen van service, gepaard aan een verfijnd comfort,
hebben alle bezwaren van een zeereis doen verdwijnen. Zij hebben
haar tot een waar genot gemaakt.
NEDERLANDS VLAGGESCHIP.
Deze weelderige
passagiersschepen bevaren alle Oceanen en alle belangrijke zeeën.
Vele ervan hebben de Nederlandsche vlag van den achtersteven
waaien. Zij kunnen zich meten met de beste buitenlandse schepen.
In vele landen zijn zij terecht bekend wegens hun uitstekende
keuken, die alle smaken weet te bevredigen. Geen wonder ook, de
Nederlandsche scheepskoks, die overal komen en vertegenwoordigers
van alle rassen en volkeren hebben te verzorgen, moeten wel
meesters in hun vak worden. Ook in comfort doen onze schepen niet
voor andere onder. En wat de veiligheid betreft zij slechts
opgemerkt, dat het scheepsrampenpercentage van de Nederlandsche
koopvaardijvloot het laagste ter wereld is. Dat is een feit,
waarop wij trotsch mogen zijn. In de concurrentiestrijd der groote
stoomvaartlijnen is zooiets van belang. Toch is het niet overal
het meest doorslaggevende argument. De Mexicanen bijvoorbeeld
laten zich door zulk een getalletje niet overtuigen. Zij willen
een duidelijker bewijs hebben. Naar hun opvatting is dat schip het
veiligst, dat… het grootste aantal schoorsteenen heeft. Vandaar,
dat sommige passagiersschepen van de Holland-Amerika-lijn, die ook
op Mexico vaart, vier schoorstenen bezaten. Zij waren niet alle
nodig en zij werden ook niet alle gebruikt als schoorsteen –
vaak bevat ook nu nog zo’n looze pijp de radio-installatie en de
marconistenkamer – maar zij maakten tezamen een soliden indruk,
hetgeen ook wat waard is.
Den laatsten tijd
schijnt dit Mexicaansche bijgeloof te tanen, want de nieuwste
schepen van deze reederij hebben geen vier schoorsteenen meer. De
“Nieuw Amsterdam” heeft er maar twee, hetgeen nog
steeds meer dan noodzakelijk is. Alleen de voorste beantwoordt aan
zijn bestemming.
Eigenlijk zouden
vele schepen het tegenwoordig best zonder schoorsteen kunnen
stellen. Voor het afvoeren van de uitlaatgassen der motoren onzer
motorschepen is heusch geen pijp noodig met een doorsnede van
ettelijke vierkante meters. De “Nieuw Amsterdam” ,
ofschoon een hypermodern schip, is geen motorschip, maar een
stoomschip, dat met olie gestookt wordt. Van dit schip moet ik
iets meer vertellen, want het is met zijn 36.287 b.r.t. het
grootste schip der Nederlandsche koopvaardijvloot. Het nam bij
zijn in-gebruikneming de twaalfde plaats in op de lijst van de
grootste schepen ter wereld. De grootste reuzen waren toen het
Fransche mailschip “Normandie”, dat 80.000 tonnen mat
– het is naderhand in de haven van New York door brand verwoest
-, de Engelsche “Queen Mary” en de Duitsche “Bremen”,
die slechts weinig kleiner zijn. Later is daar nog de “Queen
Elizabeth” bijgekomen. Nederland zou ook wel in staat zijn
schepen van dit formaat te bouwen, maar in het bestek van onze
scheepvaartbedrijven is daar geen emplooi voor te vinden. Het nut
van de genoemde schepen is trouwens twijfelachtig.
Toen de
Rotterdamsche Droogdok-Maatschappij in 1935 opdracht kreeg
tot den bouw van de “Nieuw Amsterdam” moest zij beginnen met
haar grootste scheepshelling te verleggen. Op 3 Januari 1936
werd de kiel gelegd voor dit schip, dat tot dat ogenblik alleen
nog maar op papier bestond en nog slechts R.D.M. 200 heette.
Langer dan twee jaar is er aan gebouwd. Vaak werkten er 1500
arbeiders tegelijk in, op en aan. Op 10 Mei 1938 aanvaardde
het zijn eerste reis naar de Verenigde Staten, nageoogd door
duizenden Rotterdammers, trotsch op de groen-wit-groene banden –
de kleuren van de stad – om de gele schoorsteenen. Het vertrek
viel in den vroegen ochtend, vóór zonsopgang. De
sprookjesachtige verlichting van het schip zette de plechtigheid
van dit eerste vertrek grooten luister bij, toen het statig de
Nieuwe Maas afgleed. Westwaarts, zeewaarts…
Bijna tweeduizend
mensen bevonden er zich aan boord op dat oogenblik. De bemanning
bestond uit 702 koppen en er waren 1220 passagiers. De sleepbooten
en de wagenveren leken nietige vaartuigjes, vergeleken bij dit
enorme varende hotel, dat zich tientallen meters boven den
waterspiegel verhief. Het groote schip was, om juist te zijn,
231,20 meter lang en 27,2 meter breed. De diepgang bedroeg 9,62
meter. Behalve de meer dan twaalfhonderd passagiers, had het een
aanzienlijk hoeveelheid vrachtgoed aan boord; ook daar was nog
ruimte voor, want het laadvermogen bedroeg 10.265 tonnen. Die
ruimte bevond zich voor het meerendeel onder de waterlijn.
Daarboven torenden de elf dekken, waarover de passagiersverblijven
waren verdeeld. Eenmaal in volle zee ontwikkelde de machine een
snelheid van 22 knoopen, d.i. ruim 40 km per uur. Het legde op den
Oceaan dus bijna 1000 km per etmaal af.
VAN LANDVERHUIZERS TOT
TOURISTEN.
Lang zou dit
prachtige vlaggeschip van Neerlands koopvaardijvloot niet blijven
varen tusschen Rotterdam en New York, want toen ruim een jaar
later de Tweede Wereldoorlog uitbrak, bleef het al spoedig weg uit
de Europeesche wateren. Het koos de stad, naar welker
oorspronkelijken naam het is genoemd, tijdelijk tot thuishaven.
Onze vlag is daar sinds jaar en dag een bekende verschijning.
Weliswaar waren het de Nederlandsche kolonisten, die deze stad aan
de monding van de Hudson vestigden, hun pionierswerk vond in het
vaderland niet de waardering, die het verdiende. Vooral nadat
Nieuw-Amsterdam in Engelsche handen was overgegaan en New York was
geworden, verminderde de vaart der Nederlanders op deze stad.
Later, na den Franschen tijd, toen de Vereenigde Staten zich tot
een zelfstandig rijk hadden weten te verheffen, dat duizenden
bewoners uit Europa tot zich trok, werd dat weer anders. De
Nederlandsche zeilschipreeders zonden hun schepen geregeld naar
New York, maar zij onderhielden toch geen verbinding van Nederland
met Amerika, want zij beoefenden de wilde vaart. Een vaste
verbinding zou pas ontstaan, nadat de stoomvaart den
kinderschoenen ontgroeid was.
Groote
gebeurtenissen werpen haar schaduwen vooruit, zegt men. Dat was
zeker het geval bij den stoomvaartdienst op New York, welks tot
standkoming, naar achteraf gebleken is, zeker tot groote
gebeurtenissen in de geschiedenis der Nederlandsche koopvaardij
gerekend mag worden. De schaduw was in dit geval de reis van het
s.s. “Ariadne” van de Rotterdamsche reederij Wm. Ruys
en Zonen, in den zomer van 1872. Het schip was eigenlijk bestemd
voor de vaart op de Middellandsche en Zwarte Zee, maar dat jaar
deed het een reis met landverhuizers naar New York. Nu was dat op
zichzelf niets bijzonders, want in dien tijd bracht bijna elk
schip, dat New York aandeed, landverhuizers uit Europa aan. Dit
was echter het eerste stoomschip onder Nederlandsche vlag, dat
hier aankwam. Voor de Nederlandsche kolonie te New York was dit
echter een zoo heuglijke gebeurtenis, dat zij een groot feest
aanrichtte en een optocht over Broadway hield. De gezagvoerder
hield bij die gelegenheid een rede, waarin hij de hoop uitsprak,
dat zijn schip de voorbode mocht zijn van een geregelden
stoomvaartdienst van Nederland op Amerika.
Nu was dat
denkbeeld van dezen gezagvoerder niet gloednieuw. Het had in
Nederland al eenige tijd de aandacht getrokken, dat de Duitsche
stoomvaartlijnen op New York goede winsten maakten met het vervoer
van landverhuizers. Het moest, meende men, ook mogelijk zijn van
Nederland uit een landverhuizerslijn te openen. De man, die zich
daar wel het meest intensief mee bezig hield, was de
gepensioneerde kapitein ter zee M.H. Jansen. Hij schreef een
brochure onder de suggestieven titel “Een brug over den
Oceaan”, waarin hij zijn denkbeelden uiteenzette. Het boekje
trok zoo sterk de aandacht, dat in 1869 – dus drie jaar voor de
reis van de “Ariadne” – te Utrecht een driedaagsch congres
kon worden belegd, uitsluitend gewijd aan een bespreking van de
mogelijkheid een stoomvaartdienst op Amerika te beginnen. Kolonel
Jansen was voorzitter. De eigenzinnige Jansen kon niet verdragen,
dat zijn plan eenige correctie noodig had om uitvoerbaar te
worden. Volgens hem moest de lijn te Vlissingen beginnen, welke
haven toentertijd het diepste vaarwater had – het Noordzeekanaal
en de Nieuwe Waterweg moesten nog gegraven worden – en te
Norfolk eindigen. Nu lag Norfolk weliswaar dicht bij het gebied,
dat in die jaren de meeste landverhuizers trok, maar de stad was
noch door een spoorlijn noch door een kanaal met het achterland
verbonden. New York had die verbindingen wel met het achterland,
maar de kolonel had een vrees voor die stad, want … daar was
zooveel handel! Hij was er niet van te overtuigen, dat die handel
juist een groot voordeel was, daar de landverhuizersschepen immers
retourvracht noodig hadden om rendabel te zijn. De halsstarrigheid
van den voorzitter was een sterk beletsel voor een vruchtbare
bespreking. Toen vertegenwoordigers de K.N.S.M., welke reederij
een nauwkeurig uitgewerkt plan voor een eigen stoombootlijn op New
York gereed had liggen, aan het woord kwamen, betichtte kolonel
Jansen de directie dezer reederij van ondeskundigheid en
overdreven eischen.
Kolonel Jansen
bereikte niets. De K.N.S.M. liet twee schepen bouwen voor den
dienst op New York, maar anderen waren haar toen al voor geweest.
De heeren Aug. Plate en Jhr. O. Reuchlin te Rotterdam hadden al
een commanditaire vennootschap gesticht, die later, in 1873,
omgezet werd in de N.V. Nederland-Amerikaansche
Stoomvaartmaatschappij. Het eerste schip van deze reederij was de
“Rotterdam”. In het najaar van 1872 maakte het
zijn eerste reis. Pas drie jaar daarna kwamen de beide schepen van
de K.N.S.M. gereed, doch de economische omstandigheden waren toen
zeer ongunstig geworden. Te New York was een crisis ontstaan, die
twee jaar duurde. Na het herstel in 1877 trok de K.N.S.M.,
welker schepen toen nog geen enkele reis naar Amerika gemaakt
hadden, zich terug, terwijl de N.A.S.M., die met vier schepen
ondanks het jaarlijksch verlies was blijven varen, een vijfde
schip in dienst nam en een vasten tiendaagschen dienst begon. Het
pleit was toen gewonnen; de Holland-Amerika-lijn van de N.A.S.M.
was de kinderziekten te boven gekomen. Het bedrijf groeide van dat
oogenblik af gestadig. Het beleefde goede en slechte jaren, het
had met tegenslagen te kampen, doch wist ze te overwinnen, het
raakte zelfs een tijdlang onder controle van een Amerikaansche
staaltrust, doch wist zich er weer aan te onttrekken. Het begon
met het vervoer van landverhuizers uit Europa naar Amerika, maar
het passagiersverkeer ontwikkelde zich zoodanig, dat de touristen
van Amerika naar Europa hoofdzaak werden. De maatschappij zou
echter aan deze evolutie, die haar haar oorspronkelijke
bestaansbasis ontnam, zeker niet het hoofd hebben kunnen bieden,
als niet reeds in het begin een intensief vervoer van
vrachtgoederen was ontstaan, dat gestadig zou toenemen. Zoozeer
zelfs, dat later naast de steeds grooter wordende vloot van
passagiersschepen, waarvan alle namen op “-dam” eindigden, een
vrachtbootenvloot is ontstaan, waarvan de namen alle de uitgang
“-dijk” bezitten. De Holland-Amerika-lijn is een echt
Rotterdamsche onderneming, ook al heeft zij haar schepen dan ook
een tijdlang van Amsterdam laten vertrekken. Haar werkzaamheden
blijven al sinds lang niet meer beperkt tot het onderhouden van de
ééne lijn op New York. De vloot van deze maatschappij, die 24
schepen telt, met een gezamenlijke tonnage van 300.000 b.r.t.,
vaart ook op Philadelphia, Boston, Baltimore, Savannah, New
Orleans, Cuba en tal van havens aan de Golf van Mexico. En vaak
worden schepen van de Holland-Amerika-lijn gecharterd voor groote
plezierreizen, die Amerikaansche reisbureaux plegen te
organiseeren, bijvoorbeeld naar de Caraïbische Zee of de
Middellandsche Zee. In het voorjaar van 1940 nog maakte de
“Nieuw Amsterdam” met louter Noord-Amerikaansche touristen aan
boord, een reis van eenige maanden rondom het vasteland van
Zuid-Amerika. Het zijn uitsluitend rijke lieden, die zich de
weelde van zulke uitstapjes veroorloven kunnen. En zij stellen dan
ook heel wat hoogere eischen dan arme landverhuizers uit de eerste
jaren, die zoo goedkoop mogelijk tusschendeks vervoerd moesten
worden. De oorspronkelijke Holland-Amerika-lijn is in de
tegenwoordige nauwelijks meer terug te vinden.
STOOMSCHEPEN NAAR INDIË.
Een andere
Rotterdamsche scheepvaartonderneming, die tot groote ontwikkeling
is gekomen, is de Rotterdamsche Lloyd, het bedrijf van de familie
Ruys. De eerste reeder van dit geslacht was Willem, de zoon van
ds. J.D. Ruys te Ouderkerk a/d Amstel. Hoe deze predikantszoon uit
1809 er toe gekomen is zijn leven te wijden aan de
scheepvaart is niet bekend. De geschiedenis vertelt echter, dat
hij reeds op negentienjarigen leeftijd tezamen met den
twintigjarigen Jacob van Ulphen aan het hoofd stond van een
cargadoors-, expediteurs-, en verzekeringsbedrijf te Amsterdam.
Deze zaak liep zoo goed, dat de firmanten besloten te Rotterdam
een filiaal te stichten.
Willem Ruys werd
daarvan de beheerder. Zoo werd hij Rotterdammer. Hij kwam door
zijn werkzaamheden in aanraking met Fop Smit, een in die dagen
zeer bekende scheepsbouwer aan den Kinderdijk. Deze haalde hem er
toe over voor eigen rekening schepen te laten bouwen en daarmee op
Indië te gaan varen. Smit zou ze voor hem bouwen. In 1838,
pas 27 jaar oud, was Willem Ruys reeder en mede-eigenaar van de
bark “Cornelis Werner Eduard”. Dit was het begin van
een groote onderneming; het aantal schepen dat hij liet bouwen,
vermeerderde snel. Hij verbrak den band met Van Ulphen in 1847;
in dat jaar stond er een vloot van negen schepen ingeschreven
onder zijn directie. Zij beoefenden, ofschoon zij veel in Indië
kwamen, eigenlijk de wilde vaart. Twintig jaar later, twintig jaar
van voor- en tegenspoed, deed hij de zaken over aan zijn zoon, die
ook Willem heette. Deze ruimde de zeilschepen allengs op om ze
door stoomschepen te vervangen. Tegelijk met die moderniseering
ontstond bij Willem Ruys Wzn. het plan een stoomvaartlijn van
Rotterdam op Java te beginnen. Invloeden van buitenaf echter
moesten den Rotterdamschen dienst op Ned. Indië tot stand
brengen. Een Engelsche reederij zond in 1872 een van haar schepen
met een lading koffie van Java naar Rotterdam, hetgeen zulke goede
resultaten had, dat zij met vier schepen geregeld op deze route
ging varen. Zij wilde er een vasten lijndienst van maken, maar had
daartoe te weinig schepen ter beschikking. Daarom stelde zij Ruys
voor het benoodigde aantal met Nederlandsche schepen aan te
vullen. En zoo gebeurde het. Hij had aanvankelijk met tegenslagen
te kampen. Het eene schip na het andere verging. Maar hij zette
door. Een veertiendaagsche gezamenlijke dienst tusschen Rotterdam
en Batavia was tenslotte het gevolg. Naderhand verdween het
Engelsche element geheel uit deze scheepvaartlijn. In 1882
werden alle schepen, die tot dusverre verschillende eigenaren
hadden gehad, ondergebracht in een nieuwe naamlooze vennootschap,
den Rotterdamsche Lloyd, die van dat oogenblik af een geregelde
verbinding van Rotterdam met Batavia zou onderhouden.
Rotterdam lag op
dat oogenblik twaalf jaar achter bij Amsterdam, waar immers in 1870
de Stoomvaartmaatschappij “Nederland” was opgericht met het
doel een stoomvaartverbinding van de hoofdstad met Batavia te
onderhouden. Ook die onderneming was niet tot stand gekomen dan na
veel onderhandelingen. Ware niet in 1870 het Suezkanaal
geopend, dan zouden deze besprekingen waarschijnlijk niet zulk een
voorspoedig resultaat hebben gehad. Vóór dat kanaal er was, liep
de route van Nederland naar Indië als van ouds om Kaap de Goede
Hoop. Dat was een lange weg, die niet met stoomschepen te bevaren
was zonder verliezen te lijden. Een marine-ingenieur ontwierp in
1850 een plan voor een stoomvaartdienst van Nederland op Java. De
schepen zouden van Den Helder afvaren en te Sint Vincent en aan de
Kaap bunkeren en ravitailleren. In zeventig dagen zouden zij hun
doel kunnen bereiken. Het plan bleek onuitvoerbaar, ook al omdat
een Engelsche onderneming reeds sedert 1844 een
stoomvaartverbinding tusschen Engeland en Malakka onderhield, die
veel vlugger was. Die liep al … via Egypte. De schepen uit
Engeland brachten de passagiers en de post naar Alexandrië, waar
een trein gereed stond voor Caïro. Van daar naar Suez aan den
uitlooper van de Roode Zee liepen omnibussen met paarden er voor.
Het was wel een vemoeiende reis, maar zij was aanmerkelijk korter
dan welke andere ook. En voor de post was de hitte der woestijn al
heelemaal geen bezwaar. Voor de postverzending, ook die van
Nederland naar Java, werd algemeen van deze verbinding gebruik
gemaakt. Een brief van Amsterdam naar Batavia was in 42 dagen
over. Daar kon een stoombootdienst om Kaap de Goede Hoop nooit
tegenop. Vandaar, dat zulk een dienst tusschen Nederland en de
Overzeesche gebieden in Azië pas werkelijkheid kon worden na de
in-gebruikneming van het Suezkanaal, die het Engelsche
snelheidsmonopolie brak Dit was natuurlijk al lang tevoren
voorzien. Een commissie van Amsterdamsche belanghebbenden had een
nauwkeurig plan gemaakt en was daaromtrent in overleg getreden met
Koning Willem III en Prins Hendrik, zijn broeder, die zich
beijverde een stoomvaartlijn naar Indië te bevorderen. In die
commissie zaten de heeren Boissevain, Boelen en Bunge. Tegen een
sterke oppositie in zette zij haar plannen door. Met medewerking
van den prins stichtten de genoemde heeren tenslotte de
Stoomvaartmaatschappij “Nederland” , die met vier schepen den
dienst wilde beginnen. De directie had de volgende berekening van
de reis bekendgemaakt:
Duur van de
uitreis met oponthoud te Port-Saïd of Ismailia: 48
dagen
Vertoef op Java
voor lossen en laden: 30
dagen
Duur van de
thuisreis met oponthoud te Ismailia of Port-Saïd: 48
dagen
Vertoef in
Nederland voor lossen, eventueel dokken en laden: 36
dagen
Totaal 162 dagen.
De vier schepen
maken derhalve negen reizen ’s jaars; vertrek om de veertig
dagen.
Gebaseerd op dit
schema werd een berekening van de inkomsten en uitgaven
gepubliceerd, waarna een beroep op de geldmarkt werd gedaan. De
tegenwerking van de zijde der zeilvaart was echter nog zoo groot,
dat de eerste inschrijving op geen stukken na voldoende bleek te
zijn. Er moest een tweede inschrijving worden gehouden. Een paar
dagen voor die tweede inschrijving verscheen er in het Algemeen
Handelsblad een artikel met de volgende aanhef:
“Maandag a.s.
is de beslissende dag! Dan wordt er beslist of er een eigen
stoomvaart of wel een vreemde lijn naar Java zal zijn;
dan wordt beslist
of de Nederlandsche zeilschepen de konkurrentie tegen eigen of
tegen vreemde stoomschepen zullen ontmoeten;
dan wordt beslist
of 150.000 gulden ’s jaar aan gagiën door Hollandsche mannen of
door vreemden zal worden verdiend;
of 170.000 gulden
’ s jaar aan provisiën in ons land of in den vreemde zullen
gekocht worden;
of 50.000 gulden
’s jaars aan kommissieloon enz. aan Nederlandsche of aan vreemde
huizen zal te goede komen;
of 120.000 gulden
’s jaars aan reparatiekosten en onderhoud hier te lande zullen
besteed worden;
dan wordt beslist
of de scheepvaart van Nederland alleen de nadeelen van het
Suezkanaal of ook iets van de voordelen kan verkrijgen;
dan zal … enz.”
Zoo schreef een
“meedoener” en hij won het pleit. Na de tweede inschrijving
bleek er voldoende kapitaal toegezegd te zijn om te kunnen
beginnen. De directie liet nu schepen bouwen op een der werven aan
de Clyde – pas later durfden zij met een gerust hart
bestellingen in het binnenland te plaatsen -; op 18 mei 1871
koos het eerste schip, de “Willem III” zee. Twee dagen
later reeds was het… verbrand. Voorspoedig was dit begin dus
allerminst, maar de directie, die ook nog tal van andere
moeilijkheden ontmoette, liet zich niet ontmoedigen. Tenslotte was
het toch nog de “Nederland”, die het eerste Nederlandsche
stoomschip door het Suezkanaal zond. Zij had echter weldra met tal
van concurrenten te doen. Een ervan echter, de
Stoomvaartmaatschappij “Java” te Amsterdam, raakte spoedig in
geldverlegenheid, zoodat zij niet anders kon doen dan haar schepen
aan de “Nederland” overdragen. Tegen de Stoomvaartmaatschappij
“Insulinde”, ook een Amsterdamsche onderneming, wist zij zich
slechts te handhaven door de veertiendaagschen dienst in een
tiendaagschen om te zetten. Een nog vinniger concurrent was de
Stoomvaartmaatschappij “Oceaan”, een stichting van den
Engelschen reeder Alfred Holt met medewerking van de firma Meyer
en Co., die ook de leiding had over de “Insulinde”. Deze
onderneming was begonnen met de rechtstreeksche verscheping van
tabak van Sumatra naar Amsterdam. Een Duitsche maatschappij, die
tenslotte ook nog op deze route ging varen, verdween echter weer
spoedig uit het vaarwater. Van al deze rivalen is alleen de
“Oceaan” blijven bestaan. Later kwam daar de Rotterdamsche
Lloyd weer bij.
De
“Nederland” en de “Lloyd” hebben elkaar eigenlijk nooit
als felle concurrenten beschouwd, veel meer als elkaars
complementen. Reeds in 1888 sloten zij een overeenkomst,
waarbij zij bepaalden, dat er om de zeven dagen een schip van het
moederland naar Indië zou vertrekken, de eene week van Amsterdam,
de andere week van Rotterdam. Dat was het begin van een
gelijkmatige ontwikkeling van beide maatschappijen langs
merkwaardig evenwijdige lijnen. Toen de verhouding eenmaal
vastgelegd was, groeiden beide in hetzelfde tempo gelijkelijk uit
tot wat zij thans geworden zijn. In 1893 sloten zij beide
een overeenkomst met Alfred Holt, omstreeks 1896 bestelden
beide haar eerste vrachtschip met groote laadcapaciteit, in 1900
gingen zij met hun vroegeren concurrent en met de Deutsch
Australische Dampfschiffahrtgesellschaft een pool-overeenkomst
aan. Jarenlang hielden de twee Nederlandsche maatschappijen vast
aan den regel elke week een mailschip te laten vertrekken. Daar
tusschendoor voeren dan nog de vrachtbooten. De “Nederland” en
de Lloyd bezaten de laatste jaren elk een vloot van ruim dertig
schepen elk met een tonnage van om en nabij de 275.000 br.t. Het
verkeer tusschen Nederland en Indië is langzamerhand dus wel zeer
intensief geworden, ook al neemt men in aanmerking, dat een klein
deel dezer meer dan zestig schepen weleens buiten de gebruikelijke
route voer. De wekelijksche afvaarten der mailschepen, dat zijn de
groote passagiersbooten, werden echter later toch weer in
tiendaagsche veranderd. Dat de vliegtuigen een deel van het post-
en passagiersvervoer hadden overgenomen is daarop echter van
weinig invloed geweest. Andere factoren, economische en
technische, hebben daartoe gedwongen.
ONTWERP VAN DE “ORANJE’
OP BASIS VAN ZEVENTIG PERSONEN PER DAG.
Een
lezenswaardige uiteenzetting daaromtrent verscheen in 1939
in een der nummers van het tijdschrift “De Zee” van de hand
van den heer A.F. Bronsing, directeur van de
Stoomvaart-maatschappij “Nederland”. Hij had dit artikel
geschreven ter gelegenheid van de totstandkoming van het nieuwste
mailschip der reederij, dat met zijn inhoud van 20.000 b.r.t. alle
vorige overtrof. De grootte van dit schip was gegrond op het
toenmalige passagiersverkeer tusschen Nederland en Indië, dat
gemiddeld zeventig personen per dag in beide richtingen zou
bedragen als er elken dag scheepsgelegenheid bestond. Nu is dat
niet alleen onmogelijk, maar ook onnoodig. Het passagiersvervoer
naar en van Nederlandsch-Indië en op de tusschenliggende
trajecten, aldus schreef de heer Bronsing, heeft een zoodanigen
omvang, dat voor schepen met een capaciteit als de huidige slechts
voldoende bezetting te verwachten is, indien die schepen met
tusschenpoozen, niet kleiner dan ongeveer drie weken (samen met
den Rotterdamschen Lloyd tweemaal per drie weken), zouden varen.
Zou men dus de voorkeur geven aan het herstel van de
veertiendaagschen dienst (wekelijks samen met den Rotterdamschen
Lloyd), dan zouden de nieuw te bouwen schepen geen grootere
passagiersaccommodatie kunnen hebben dan ongeveer 450 passagiers.
Om dan toch economische schepen te verkrijgen, d.w.z. schepen, die
thans geldende passagiersprijzen nog loonend zouden kunnen varen,
zouden die schepen van kleinere afmetingen moeten zijn en in
verband hiermede zou de snelheid niet boven de zeventien knopen
kunnen worden opgevoerd.
Nu duurt de
rondreis van Amsterdam via Genua naar Ned. Indië en terug, met
een voldoend lang verblijf in Amsterdam en op Java voor onderhoud
van het schip en voor laden en lossen, zowat twaalf weken – men
bedenke, dat er een tijdvak van zeventig jaren ligt tussen het
stichtingsjaar der maatschappij en het ogenblik, waarop deze
regelen geschreven werden -, zoodat voor een veertiendaagschen
dienst met schepen voor circa 450 passagiers en zeventien mijl
dienstvaart zes schepen noodig zouden zijn. Voor een
driewekelijkschen dienst van schepen met een capaciteit van circa
700 passagiers en zeventien mijl dienstvaart zouden vier schepen
noodig zijn, evenals thans.
Zouden schepen
echter gebouwd worden van een snelheid van tenminste
een-en-twintig mijl dienstvaart, welke noodzakelijk grootere
schepen moeten zijn en die dan een passagierscapaciteit van
tenminste 700 personen zouden kunnen hebben, dan zou daarmede
dezelfde rondreis in negen weken volbracht worden en zou hetzelfde
aantal passagiers vervoerd kunnen worden door drie schepen in een
driewekelijkschen dienst.
De
Stoomvaartmaatschappij “Nederland” heeft besloten tot het
grootere en snellere type,
- omdat
zij overtuigd was, dat een snelheid van 21 mijl, d.w.z.een
overtocht van Genua naar Batavia in zestien dagen tegenover
een-en-twintig dagen, meer overeen zou komen met de wenschen
van het reizende publiek;
- omdat
de berekeningen uitwezen, dat niet alleen de bouwkosten van
drie schepen voor 700 passagiers en een-en-twintig mijl
dienstvaart lager waren dan voor zes schepen van 450
passagiers of vier schepen van 700 passagiers en zeventien
mijl dienstvaart, maar ook, dat de totale vervoerkosten per
passagier in de grootere en snellere schepen lager zouden
zijn;
- omdat
op een grooter schip meer comfort en vertier voor de
passagiers geboden kan worden en dit ook, buiten de
verlofgangers en zakenreizigers, zeker meer touristen en
passagiers van andere nationaliteiten zou trekken.
De zware machines
en de hoeveelheden olie, noodig om het schip met een
dienstsnelheid van 21 mijl de reis te doen volbrengen, brachten
echter zekere minimum-afmetingen van het schip mede, waardoor bij
de eerste plannen het schip veel grooter werd dan voor 700
passagiers noodig zou zijn. De opdracht aan den ontwerper luidde
dan ook om het kleinste schip te ontwerpen, dat met een
dienstvaart van 21 mijl, accommodatie zou bieden voor circa 700
passagiers, die het gerief en het comfort moeten hebben, dat op
schepen in de Indische vaart gebruikelijk is, aangevuld met
zoodanige verbeteringen als de vooruitgang van de techniek had
mogelijk gemaakt. Het is van zooveel belang om de tonnenmaat zoo
klein mogelijk te houden, omdat vele onkosten (havenkosten,
Suezkanaalkosten en onderhoudkosten) evenredig zijn aan de grootte
der schepen. Om dit te bereiken heeft de ontwerper slechts tot
enkele voeten boven de waterlijn het schip de breedte gegeven, die
voor de door het totale gewicht van het schip, machines, brandstof
en lading bepaalde waterverplaatsing noodzakelijk was, maar
daarboven de spanten naar binnen doen buigen, waardoor het schip
daar smaller werd en 1800 ton op de totale maat werd bespaard. Zoo
heeft dus de “Oranje” haar tegenwoordige vorm gekregen.
VAN EIGEN MAKELIJ.
Het is aardig de
overwegingen van de scheepvaartleider anno 1939 te
vergelijken met die van zijn voorganger uit 1869. Ze wijken
wel sterk uiteen, want de 2600 ton metende driemastschoeners met
stoomvermogen, waarmee de eerste directeuren begonnen de
stoomvaartverbindingen met Indië te onderhouden, waren van heel
wat bescheidener afmetingen. Had men in die dagen den heer Jan
Boissevain, die toch over een ruimen en vooruitzienden blik
beschikte, verteld, dat het zeventig jaar later het goedkoopst zou
zijn passagiersschepen van 20.000 ton te bouwen, hij zou er zeker
geen geloof aan gehecht hebben. En had hij al het comfort aan
zoo’n schip kunnen zien, hij zou wel even gelachen hebben over
het gerief van die eerste schepen; die hadden als summum van
weelde een geëxamineerden dokter, een melkgevende koe en eenige
vrouwelijke bedienden aan boord. In 1896 nog hadden
deskundigen voorts bedenkelijk het hoofd geschud, toen de
“Nederland” er toe overging haar eerste vrachtschip te
bestellen, de “Madoera”, die 3400 br.t. moest meten.
– Hoe moet dat ooit vol komen? vroeg men.
De “Madoera”
kwam in de vaart, de Lloyd liet eveneens een dergelijk schip
bouwen en beide geraakten geregeld vol. Na eenige jaren reeds
moesten er meer vrachtbooten besteld worden en grootere. En de
werven bouwden grootere schepen, steeds grootere, steeds betere,
steeds modernere. Zij durfden het wel aan, de Nederlandsche
werven, ook al hadden de groote reederijen aanvankelijk weinig
vertrouwen in de kundigheid onzer scheepsbouwers. Dat wantrouwen
was misplaatst, want er is nauwelijks een land ter wereld, waar in
den loop der eeuwen zooveel duizenden schepen gebouwd zijn als het
onze. De Nederlandsche werven moesten tot het einde der vorige
eeuw dat wantrouwen met leede ogen aanzien. Niet alleen gingen de
opdrachten den neuzen van onze scheepsbouwers voorbij, maar
bovendien kregen zij zoo nooit de gelegenheid de ervaring op te
doen, die zij noodig hadden om het vertrouwen te verwerven van de
Nederlandsche stoomvaartmaatschappijen. Het duurde lang eer dit
cirkeltje verbroken werd. Maar tenslotte kwam het toch zoover en
toen bleek zonneklaar, dat de Nederlandsche scheepsbouwers even
goede vaklieden waren als de Nederlandsche zeelieden. Sedertdien
dragen zij beide in gelijke mate bij tot de glorie onzer
koopvaardij.
Het aantal werven
in Nederland is overvloedig. Er zijn er, die eeuwen geleden reeds
bestonden, er zijn er ook, die na den Eersten Wereldoorlog
dateeren. Maar ten aanzien van de hoedanigheid van het werk maakt
dat geen verschil. Bekwame scheepsbouwkundige ingenieurs met
diploma’s-Delft geven overal leiding waar in ons land schepen
worden gebouwd. Hun grondige kennis, hun groote toewijding en hun
rijke ervaring staan er borg voor, dat zij slechts schepen
afleveren, die aan de grootste eischen voldoen. Dit is geen
hoovaardij, het is de simpele waarheid, hetgeen wel blijkt uit het
feit, dat de laatste jaren niet alleen bijna alle Nederlandsche
schepen hier te lande zijn gebouwd, maar dat bovendien de
Nederlandsche werven talrijke bestellingen uit het buitenland
kregen. Amerika, Engeland, de Sovjet-Unie en Noorwegen hebben vele
schepen in ons land laten bouwen.
Het zou te ver
voeren de geschiedenis van al die werven in dit boekje te
vertellen. Maar van één mag ik het toch wel doen. Het ontstaan
van de Nederlandsche Scheepsbouw-Maatschappij te Amsterdam,
misschien wel de bekendste werf van ons land, is een boeiend
relaas van noeste vlijt. De eerste directeur was Daan Goedkoop, de
in 1850 geboren zoon van een Amsterdamschen zeilschipreeder
uit een geslacht, dat al sedert omstreeks 1700 op en aan het water
zijn bestaan had gevonden. De jonge Daan was bestemd om ook reeder
te worden, maar hij wilde niet. Hij had het nu eenmaal in zijn
hoofd gezet, schepen te bouwen. Op vijftien-jarigen leeftijd ging
hij naar de werf van Huygens, waar barken en fregatten, brikken en
schoeners gebouwd werden. Twee jaar lang leidde hij er het harde
bestaan van scheepstimmermansleerling. ’s Ochtends vroeg uit de
veeren en met het stukkezakje vol brood naar de werf, waar de
acht-urige werkdag nog een ongekende arbeidersweelde was. De
jongen liet zich niet afschrikken. Na afloop van die twee jaren
stelde zijn vader hem de vraag:
- Heb je er nog
niet genoeg van?
- Neen vader! Zei
hij met overtuiging.
- Als je dan met
alle geweld schepen wilt bouwen, dan doe je het. Ik zal een werf
voor je kopen, zei vader Goedkoop, die zulk een ijzeren wil toch
wel kon waardeeren, al had hij zijn zoon liever reeder zien
worden.
Hij kocht toen de
werf “’t Kromhout” en stelde haar ter beschikking van den
jongen, toen die zeventien jaar werd. De jarige kon nu zelf
schepen bouwen en hij deed het. Kleine houten binnenvaartuigen
weliswaar, maar niettemin schepen, die evenzeer als de zeeschepen
aan hooge eischen moesten voldoen. Blijkbaar deden ze dat
inderdaad, want vast staat, dat reeds na verloop van eenige jaren
de werf “’t Kromhout” honderd arbeiders in dienst had. Het
was jarenlang een bloeiend bedrijf; de heer Goedkoop had een
goeden naam in de stad. Dat was dan ook de reden, waarom in den
zomer van 1894 de heeren J.T. Cremer en jhr. L.P.T. Op ten
Noort bij hem kwamen met het verzoek de leiding op zich te nemen
over het scheepsbouwbedrijf, dat zij voornemens waren te stichten
als voortzetting van de oorspronkelijke werf van Paul van
Vlissingen, die kort te voren geliquideerd was.
De heer Goedkoop
stemde toe en verhuisde nog in datzelfde jaar naar het terrein op
Oostenburg, waar niet slechts Paul van Vlissingen in 1845
het eerste Nederlandse ijzeren schip had gebouwd, maar waar reeds
in de zeventiende en achttiende eeuw tientallen schepen voor de
Vereenigde Oost-Indische Compagnie van stapel waren gelopen. Zo
werd hij op 44-jarigen leeftijd directeur van de Nederlandsche
Scheepsbouw-Maatschappij.
Drie eeuwen lang
was het terrein voor de Dijksgracht uitermate geschikt geweest
voor een werf. Er was ruim water om de schepen van stapel te laten
loopen. De stoomschepen echter werden voortdurend grooter. Voor de
werf was dat geen bezwaar, want er was plaats voldoende om de
hellingen te verlengen, maar in 1906 waren de geringe
afmetingen van de Oosterdoksluis, die de werf afsloot van het IJ,
de reden, dat de heer Goedkoop eenige bestellingen moest afwijzen.
Weliswaar werd in het jaar daarop de sluis verbreed en de
Dijksgracht uitgediept, maar op den duur zou dat toch niet baten.
In 1910 rijpte het plan te verhuizen. Toen in 1912
de Stoomvaart-maatschappij “Nederland” opdracht gad tot de
bouw van het s.s. “Jan Pieterszoon Coen”, was weer het
maximum bereikt. Het paste nog net in de sluis. Na
onderhandelingen met de gemeente Amsterdam verkreeg de
maatschappij terreinen aan den Noordelijken oever van het IJ. In 1922
werd daar de nieuwe werf in gebruik genomen. Het zag er toen
echter allesbehalve rooskleurig uit. Twee jaar lang kwamen er geen
orders binnen. Eindelijk, in 1926 echter herleefde de
scheepsbouw. In 1930 verstrekte de “Nederland” zelfs
een opdracht tot den bouw van twee mailschepen van meer dan 19.000
br.t. Dat werden de “Marnix van Sint Aldegonde” en de
“Johan van Oldenbarnevelt”. In 1931 kwam er weer
een inzinking. Te Amsterdam werden de schepen bij tientallen
opgelegd. Een herstel trad in 1936 in. Drie jaar later
werkten er weer 2300 arbeiders op de werf en in de
nevenbedrijven zeker nog 9000. Dat beteekende tenminste elf
millioen gulden aan loonen in één jaar.
De werven zijn
wel van groot belang voor Nederland. Zij brengen welvaart in
tienduizenden gezinnen. Te Amsterdam zijn er vier groote, waarvan
er overigens één uitsluitend reparatiewerk verricht. Aan de
Nieuwe Maas, waar de “Nieuw-Amsterdam” is gebouwd,
vindt men er ook vier. Vlissingen heeft “De Schelde”, waar een
zeer groot deel van de mailschepen en vrachtbooten van den
Rotterdamschen Lloyd zijn gebouwd.
En dan zijn er
nog eenige groote scheepsbouwbedrijven in het gebied tusschen
Rotterdam en Dordrecht, waar eertijds de meeste der befaamde
Nederlandsche clippers gebouwd zijn. Vele vindt men er ook in de
provincie Groningen, maar daar kom ik later nog op terug. De
onderscheidene werven en werfjes, die voor de binnenvaart en de
visscherij werken, laat ik nu buiten beschouwing, van hoeveel
beteekenis zij samen ook mogen zijn.
De Rotterdamsche
Droogdok-Maatschappij moge dan de werf zijn, die met den bouw van
het ruim 36.000 b.r.t. nieuwe mailschip voor de
Holland-Amerika-lijn de grootste prestatie heeft geleverd, de
Nederlandsche Scheepsbouw-Maatschappij is zeker niet voornemens
zich te laten overvleugelen, getuige den bouw van de grootste
kunstmatige scheepshelling ter wereld, die in den loop van 1940
gereed is gekomen. Op deze helling zullen schepen van 70.000 b.r.t.
gebouwd kunnen worden. Weliswaar bestaan er reeds mailschepen van
grootere afmetingen, doch daarvoor was de kiel gelegd op in den
harden rotsbodem uitgehouwen hellingen. De nieuwste Nederlandsche
helling aan het IJ, die overigens tengevolge van de
oorlogsomstandigheden nog niet in gebruik genomen kon worden,
staat op den slappen Amsterdamschen bodem, maar zij rust op 1735
betonnen palen van 14.5 meter lengte en van elk zes ton gewicht.
Op deze palen ligt een vloer, die onderaan 1.80 meter dik is en
bovenaan één meter. Onderaan ligt deze helling, die 250 meter
lang is, 4.50 meter onder water en zes meter onder het maaiveld;
het hoogste punt steekt 6.20 meter boven den grond uit. Het
onderste deel van de helling ligt in een sluis, die met deuren ter
breedte van 33 meter afgesloten kan worden. Hier kunnen schepen op
gebouwd worden met een eigen gewicht van 90.000 ton.
Waarschijnlijk zal men hier vele jaren mee toe kunnen. Het
motorschip “Oranje”, dat 20.000 b.r.t. meet, woog bij
de te waterlating 10.000 ton. Eenige speling is er dus wel…
DE DRIEKLEUR IN INDIË.
In de toekomst
zullen daar ongetwijfeld tal van Nederlandsche schepen worden
gebouwd. De Nederlandsche Scheepsbouw-Maatschappij heeft eenige
vaste relaties onder de groote binnenlandsche reederijen. De beste
daarvan is naast de “Nederland” misschien wel de K.P.M., die
van haar oprichting in 1891 af vrijwel alle schepen in
Nederland heeft laten bouwen. En dat waren er zeer vele, want dit
is de grootste reederij onder Nederlandsche vlag. Ze telt over de
130 schepen met een gezamenlijken inhoud van meer dan 300.000 b.r.t.
Bij de Nederlandsche bevolking is zij echter slechts weinig
bekend, want haar schepen plegen, als zij de werf eenmaal verlaten
hebben, nooit naar Europa terug te keeren. De onderscheidene
stoomvaartlijnen, die de K.P.M. onderhoudt, verbinden havens, die
verspreid liggen over de vier andere werelddelen: Azië, Amerika,
Australië, Afrika. In hoofdzaak echter verbinden zij de eilanden
van den Indischen Archipel met elkander. Zij vervullen daar een
even belangrijke taak als de spoorwegen in Europa.
Stoomschepen
binnen het eilandenrijk in Azië waren er allang voor de zeilvaart
de taak de verbinding van den archipel met het moederland te
onderhouden definitief aan de stoomvaart afstond. In de eerste
helft van de vorige eeuw reeds stichtten eenige Nederlanders met
Rotterdamsch kapitaal en regeeringssteun een reederij voor de
paketvaart in Indië. Zij vervulde haar taak met dertien
raderstoombooten blijkbaar niet naar behooren, want toen in 1865
haar concessie afliep, besloot de regeering deze niet te verlengen
op grond van de vele klachten, die haar omtrent deze reederij
hadden bereikt. Een nieuwe openbare inschrijving volgde. De
Engelschman Robinson, die de minste subsidie vroeg, kreeg toen
voor den tijd van vijfentwintig jaar het recht de vaart in Indië
te onderhouden. Een combinatie van twee Amsterdamsche reeders had
een cent per bevaren zeemijl meer gevraagd. Zij werd deswege
gepasseerd, ofschoon dit op de totale som der subsidie slechts 422
gulden scheelde.
Deze
kortzichtigheid van den toenmaligen minister van Koloniën
kwam Nederland duur te staan, want de Engelschman bleek
slechts Engelsche belangen te willen dienen. Zijn reederij, de
N.I.S.M. bracht alle stapelproducten naar Singapore, vanwaar zij
met Engelsche schepen naar Europa werden vervoerd. Zij bestelde al
haar schepen bij de Engelsche werven en zij voer, op de
gezagvoerders na, met louter Engelsche bemanningen. Zoo was de
schade duizend maal grooter dan het gewin. Weliswaar kwam de
N.I.S.M. het contract met de regeering zorgvuldig na, doch zij
deed niets voor de ontsluiting der achterlijke gebieden. Ook waren
er klachten over de hooge tarieven, slechte accommodatie en zelfs
weigeringen om goederen te verschepen. Op 31 December 1890
kwam aan dit alles een einde. Den volgenden dag nam de K.P.M. het
werk over.
Deze reederij was
eenige jaren tevoren gesticht. Zij was Nederlandsch in alle
opzichten. De namen harer oprichters, Ruys, Tegelberg en
Boissevain, hadden een goeden klank in de Nederlandsche
reederskringen van die dagen. De heer Ruys stond aan het hoofd van
den Rotterdamschen Lloyd; de beide andere mannen waren leidende
figuren in de Maatschappij “Nederland”. Weliswaar vroegen zij
meer subsidie dan de N.I.S.M. had genoten, maar zij stelden
daartegenover de belofte van snellere schepen, lagere
passagierstarieven en kosteloos postvervoer, terwijl zij zich
voorts voornemens verklaarden den stapelgoederen te vervoeren naar
die havens in Indië, waar de Nederlandsche Oostinjevaarders
plachten te komen en de nieuwe schepen, die zij noodig zouden
hebben, bij de Nederlandsche werven te bestellen. De regeering kon
de concessie-aanvrage warm aanbevelen bij de Staten-Generaal, die
haar dan ook met zoo goed als algemeene stemmen inwilligden. Een
beter inzicht in het algemeen Nederlandsch belang bij goede
scheepvaartverbindingen in den Indischen archipel was
doorgebroken. Zoo kon de K.P.M. haar werkzaamheden beginnen, die
weldra van gunstigen invloed zouden blijken te zijn op de
economische ontwikkeling van het groote eilandenrijk aan den
evenaar. De K.P.M. begon met zestien schepen van de N.I.S.M. over
te nemen. Het overige deel van de bestaande vloot
kochten de Maatschappij “Nederland” en de Rotterdamsche
Lloyd op. Het materiaal was dus aanvankelijk hetzelfde, maar de
geest was van den beginne af anders bij de nieuwe Nederlandsche
reederij. Zij verlaagde de passagierstarieven tot groote vreugde
van alle planters en zakenlieden in Indië; zij werkte nauw samen
met de Nederlandsche reederijen, welker schepen de koloniale
gebieden met het moederland verbonden – hetgeen sedertdien zoo
is gebleven -, zij opende lijnen op tot dusverre verwaarloosde
streken, zooals het later zoo belangrijk geworden tabaksland op
Sumatra’s Oostkust en zij voer tenslotte niet alleen onder
Nederlandsche vlag, maar ook met Nederlandsche bemanningen. Toen
zij zich na verloop van luttele jaren genoodzaakt zag de vloot uit
te breiden, plaatste zij de bestellingen telkenmale bij
Nederlandsche werven. Ook dat is zij, op een enkele gedwongen
uitzondering na, steeds blijven doen.
In het begin van
deze eeuw begon een nieuwe periode voor de K.P.M. Zij opende toen
haar lijn van Java op Siam, waarmede zij zich voor het eerst
buiten de Indische wateren begaf. Weldra volgden in samenwerking
met andere Nederlandsche reederijen een lijn op Bengalen en een op
Australië. Later kwamen daar nog lijnen op Nieuw-Zeeland en een
aantal havens in den Zuidelijken Pacific, op de Straits
Settlements, op China, op Fransch Indochina en op de Oostkust van
Afrika. Voorts werkte de K.P.M. mee aan de oprichting van de
Java-China-Japan-lijn, een te Amsterdam gevestigde reederij met
elf groote schepen van tezamen 90.000 b.r.t. En pas eenige jaren
geleden opende zij de lijn van China via Java op Zuid-Afrika, die
in 1939 werd doorgetrokken tot aan de groote havens op de
Oostkust van Zuid-Amerika.
Voor deze laatste
lijn, die in een paar jaar uitgroeide tot de langste en
belangrijkste van alle, waren de drie zusterschepen bestemd, die
de K.P.M. kort voor den Tweeden Wereldoorlog nog in Europa heeft
laten bouwen en die de namen hebben gekregen van haar oprichters:
Ruys, Tegelberg en Boissevain.
Het zijn moderne
motorvracht- en passagiersschepen met een inhoud van ruim 14.000
b.r.t. Zij gingen een deel van den sedert de in-gebruikneming van
het Suezkanaal verlaten eeuwenouden zeeweg van Europa naar Indië,
te weten van Kaap de Goede Hoop langs Madagascar naar Straat
Soenda, bevaren. Zoo schiepen of liever herstelden zij de
verbinding tusschen Kaapstad en Batavia. Geheel nieuw was de
rechtstreeksche lijn tusschen de Zuid-Amerikaansche en de Indische
havens.
AMSTERDAM-LA PLATA.
Wel een
merkwaardige evolutie! De eerste mailboot uit Ned. Indië kwam te
Buenos Aires aan vijf jaar nadat de laatste uit Nederland de La
Plata-rivier achter zich gelaten had. Ja, in 1934 moest het
eens zoo drukke passagiersvervoer tusschen Amsterdam en de groote
havens van Zuid-Amerika gestaakt worden. Dat beteekende toen het
einde van een groote reederij, die later weliswaar herrezen is,
maar in zoo bescheidene gedaante, dat velen van haar bestaan
nauwelijks zullen afweten.
De eerste
pogingen om tot een vasten stoombootdienst met Zuid-Amerika te
geraken, dateeren van de vorige eeuw. Zij leidden tot de
oprichting in 1899 van de z.g. Zuid-Amerika-lijn te
Amsterdam. De bedoeling was voornamelijk vee te vervoeren van
Argentinië naar Engeland. Toen de schepen echter klaar waren, was
de basis van het bedrijf weggevallen. In Argentinië was een
veeziekte uitgebroken, waarop Engeland den invoer van Argentijnsch
vee prompt had verboden. Desniettemin werd er gevaren. Voorspoedig
ging het allerminst, want er was veel concurrentie.
In 1905
sprong de Nationale Stoombootmaatschappij bij. Dit was een
reederij… zonder schepen. Volgens de statuten had zij tot doel
het vervoeren van personen en goederen onder nationale vlag en het
oprichten van en deelnemen in allerlei ondernemingen, die
hetzelfde doel nastreven. Aan het eerste deel van deze
doelstelling is de maatschappij nooit toegekomen, ofschoon er voor
een Nederlandsche onderneming als deze, heusch nog wel terrein
braak lag. Het is gebleven bij het deelnemen in andere
ondernemingen. En een daarvan was de Zuid-Amerika-lijn. Met haar
financieelen bijstand en in overleg met de regeering werd deze
reederij gereorganiseerd. Uit dit al ontstond in 1907 de
Koninklijke Hollandsche Lloyd, die behalve op Argentinië ook op
Brazilië zou varen. Het ging nu jarenlang uitstekend. De
passagiersschepen “Brabantia”, “Limburgia” en
“Gelria” hadden een uitstekenden naam en een druk vervoer.
Na den Eersten Wereldoorlog liet de K.H.L. nieuwe koelschepen
bouwen voor het vervoer van bevroren vleesch. Met het
vleeschvervoer en het stukgoederenverkeer ging het aanvankelijk
nog wel, maar passagiers kwamen er hoe langer hoe minder. In 1923
moesten twee van de drie passagiersschepen verkocht worden. En
negen jaren later maakte ook de “Gelria”, het laatst
overgebleven passagiersschip haar laatste vaart. Het schip heeft
nog een tijdlang onder Italiaansche vlag gevaren. In 1936
moest de reederij liquideren. Een tijdlang lag het bedrijf stil,
maar te langen leste ontstond er toch nog een N.V. tot
voortzetting van den Koninklijken Hollandsche Lloyd, die op
bescheiden voet het vrachtgoederenvervoer tusschen Amsterdam en
Zuid-Amerika herstelde. Deze N.V. was een stichting van de K.N.S.M.
en de firma Wm. Müller & Co. Te Rotterdam, die o.a. de
Batavier-lijn exploiteert.
De verbinding
tusschen de rijke gebieden van Argentinië en Brazilië met ons
land was overigens nooit verbroken geweest, want van Rotterdam uit
bestond daarop sinds lang een vaste dienst, te weten die van Van
Nievelt, Goudriaan & Co. Deze onderneming was in 1905
gesticht met het doel de wilde vaart te beoefenen. Zij begon met
twee schepen, doch breidde haar vloot allengs uit. Vier jaar later
begon zij een geregelden dienst op Zuid-Amerika en die is
sindsdien blijven bestaan. De “Al”-schepen – het zijn er nu
vijftien – komen echter ook aan de kusten van Mexico en
Noord-Amerika, maar evenzeer in de Witte en de Zwarte Zee, de
Oostzee en de Middellandsche Zee, want in hoofdzaak zijn het toch
nog steeds de trampvaarders. De schepen, die des zomers hout uit
Archangel halen, gaan des winters om erts naar Spanje of om graan
naar de monden van de Donau.
Een merkwaardige
opdracht kreeg deze reederij eens in 1935, toen er een
circus van Rotterdam naar Buenos Aires vervoerd moest worden.
Sarrassani wilde Europa verlaten om zijn geluk in Zuid-Amerika te
beproeven. Met al zijn dieren en menschen en zijn complete
wagenpark wilde hij den Oceaan oversteken. Het bleek, dat hij er
twee volledige schepen voor noodig had. Van Nievelt, Goudriaan en
Co. waren bereid dit zonderlinge transport op zich te nemen. Het
kostte heel wat voorbereiding, want beide daarvoor beschikbare
schepen moesten er geheel voor ingericht worden. In de ruimen
werden dekken getimmerd en op die dekken stallen ingericht en
logies voor de oppassers. Het voer voor de dieren moest zoo
opgeslagen worden, dat de oppassers er dagelijks bij konden. Dat
inrichten der schepen duurde verscheidene dagen en het laden ging
al evenmin van een leien dakje. De twintig olifanten bijvoorbeeld
moesten een voor een met een kraan aan boord gehesen worden.
Maar ook dat
gelukte tenslotte. Het geheele circus met de gansche levende have
kwam ongedeerd in het andere land aan. Het was een wonderlijke
reis, waarover een heel boek te schrijven zou zijn. De twee
Rotterdamsche kwajongens, die als verstekelingen aan boord
geslopen waren en gedurende de reis de gekste dingen uitgehaald
hebben, zouden er dan de hoofdrol in moeten spelen. De wilde vaart
is trouwens over de geheele linie nog een avontuurlijk bedrijf,
dat in vele opzichten aan de tijden der zeilvaart herinnert. De
Rotterdammers houden daarvan. In tegenstelling tot Amsterdam,
welks vloot zoo goed als geheel op vaste lijndiensten vaart, zijn
de meeste schepen uit de Maasstad vrachtzoekers, die men overal
ter wereld kan aantreffen. De opvarenden, die op een tramper
monsteren, weten wel wanneer zij hun reis beginnen, maar niet
wanneer zij haar eindigen zullen en zij weten nog minder wat er
tusschen het begin- en het eindpunt zal liggen.
Behalve de reeds
genoemde vindt men te Rotterdam aan lijnreederijen alleen nog maar
Erhardt en Dekkers met de tien “-wijk” booten, die Zweedsch
erts plegen te halen uit Narvik. Wm. Müller & Co. met
veertien kleine schepen, die allerlei verbindingen tusschen
Nederland, België, Frankrijk en Engeland onderhouden, o.a. de
oude Batavier-lijn en een lijn van Parijs op Londen, verder P. van
Es & Co., met diensten op Hamburg, Cardiff en New Port, en
tenslotte de gebroeders Van Uden, wier negen schepen Antwerpen met
Zuid-Amerika verbinden, benevens eenige kleinere. De overige –
en dat zijn er nog zeer vele, die ik niet alle noemen kan, want de
meeste zijn kleine reederijen met één of twee schepen –
beoefenen alle de wilde vaart. Sommige zijn gespecialiseerd in een
bepaald soort vracht, zooals hout, steenkolen, fruit of olie.
Andere varen steeds met stukgoederen.
OPLEIDING DER ZEELIEDEN.
Hoe dit echter
zij, op alle schepen, die het rood-wit-blauw van den achtersteven
hebben wapperen, vindt men Nederlandsche zeelieden, die weten wat
varen is, die er plezier in hebben en er alles van af weten. Niet
voor niets is het rampenpercentage der Nederlandsche
koopvaardijvloot zoover beneden dat van alle andere naties. Dat
dit zoo is, is niet alleen te danken aan de hooge eischen, die
hier te lande aan de schepen gesteld worden, maar ook en misschien
wel bovenal aan de
groote bekwaamheid onzer zeelieden. Aan hun opleiding wordt de
grootste zorg besteed.
Voor hen, die
stuurman en later misschien gezagvoerder willen worden, telt ons
land negen zeevaartscholen, waarvan twee te Amsterdam onder
hetzelfde dak. De oudste daarvan is de Kweekschool voor de
Zeevaart te Amsterdam, die al meer dan anderhalve eeuw op een en
dezelfde plek gevestigd is. Zij is gesticht in 1781, toen er een
golf van geestdrift door ons land voer wegens het roemruchte feit,
dat de Nederlandsche marine in den slag op de Doggersbank den
Engelschen een gevoelige klap had toegebracht. In den roes van die
geestdrift ontstond het Vaderlandsche Fonds ter aanmoediging van
’s Lands Zeedienst, dat spoedig zeer veel gelden bijeen had
gebracht. Uit de rente van dit kapitaal kon de eerste
zeevaartschool gebouwd worden, die aanvankelijk zoowel voor de
marine als voor de koopvaardij opleidde. Tot in 1910 duurde de
opleiding hier drie jaar; daarna is dat tot twee jaar
teruggebracht, maar tegelijkertijd zijn de toelatingseischen
verzwaard. Alleen houders van tenminste een diploma van 3-jarige
H.B.S. of M.U.L.O-B worden toegelaten en daaruit wordt dan nog
streng geselecteerd, zoowel naar de lichamelijke eigenschappen als
naar de gaven des geestes. Wat er onderwezen wordt? Och, alles wat
een zeeman in zijn werk noodig kan hebben. De practijk is de basis
van het geheele onderwijs. Wiskunde, sterrenkunde, natuurkunde en
talen zijn er belangrijke vakken, waarbij dan vooral gewezen wordt
op de toepassing der wetenschap bij het werk aan boord.
Cosmografie wordt dan het plaats bepalen zonder andere vaste
punten dan de hemellichamen. Mechanica wordt het omgaan met laad-
en losgerei enz. Na deze schoolopleiding volgt verdere bekwaming
aan boord. De jongelui monsteren daartoe als leerling-stuurman. En
voor elk diploma, dat den weg opent naar een hoogeren rang, doen
zij examen. De weg naar de gezagvoerdersplaats is lang en
moeilijk. Niet alle leerlingen echter brengen het tot den hoogsten
rang aan boord. Er zijn er ook velen, die vroegtijdig weer aan wal
stappen en een andere baan zoeken. Dat deze zeelieden, die hun
eigenlijke carrière misloopen, allesbehalve mislukkelingen
behoeven te heeten, bewijst wel het jaarboekje van de Vereeniging
van Oud-Kwekelingen, (te weten van de Kweekschool voor de Zeevaart
te Amsterdam), waarin de namen van tal van notarissen, advocaten,
bankdirecteuren, hooge ambtenaren en leiders van groote bedrijven
voorkomen. Waarmee slechts betoogd wil worden, dat de Kweekschool
alleen dan zijn leerlingen op de vloot loslaat als zij werkelijk
iets in hun mars hebben, als zij goede stuurlieden beloven te
worden en daarenboven bekwame leden der maatschappij. Ook de
andere zeevaartscholen, die ik natuurlijk niet alle beschrijven
kan, genieten een uitstekende reputatie.
De gezagvoerder
en de stuurlieden vormen sinds eeuwen de état-major van een
schip, maar thans behooren daar ook nog toe de kopstukken uit de
machinekamer. De machinisten, die de leiding hebben over den gang
van zaken bij de machines of de motoren en die talloze
hulpwerktuigen en mechanische inrichtingen onder hun toezicht
hebben, worden ook tot de officieren der koopvaardij gerekend en
zij hebben daar het volste recht toe. In de vorige eeuw werden zij
niet voor vol aangezien, maar daar is thans geen sprake meer van.
De eerste machinist – “meester” heet hij aan boord in de
wandeling – geniet hetzelfde salaris als de eerste stuurman. Dat
de laatstgenoemde aan tafel rechts van den gezagvoerder zit berust
meer op een oude traditie dan op een vermeend verschil in
waardering. En dat de eerste stuurman den kapitein vervangt bij
diens afwezigheid heeft dezelfde practische reden als het antwoord
op de vraag, waarom de gezagvoerders uit het stuurlieden- en niet
uit het machinistencorps worden gerecruteerd. De machinisten zijn
bekwame technici, die een zorgvuldige opleiding hebben gehad,
hetzij op de Machinistenschool te Amsterdam, hetzij op een der
daartoe ingerichte cursussen.
Ook de overige
opvarenden der Nederlandsche koopvaardijvloot zijn in de
gelegenheid een opleiding te volgen alvorens aan boord te stappen.
Het Matrozeninstituut te Amsterdam, dat een internaat heeft aan
boord van de “Pollux” in het Oosterdok – een
zeilschip dat niet varen kan -, waar handige jongens met de
ambitie om zeeman te worden zich kunnen bekwamen voor hun werk, is
al heel oud. De besten onder hen brengen het tot bootsman en een
enkele weet somtijds het geld over te sparen om voor stuurman te
gaan studeeren; die wil het dan wel eens ver brengen in het leven.
Ook Rotterdam heeft zulk een matrozenschool aan boord van het
opleidingsschip de “Nederlander”.
Een belangrijke
categorie opvarenden, vooral op de passagiersschepen, vormt de
soms zeer uitgebreide staf van civiel personeel, aan het hoofd
waarvan de administrateur staat. Dat is dikwijls een gewezen
stuurman. Soms ook komt hij van den vasten wal, hetgeen meestal
het geval is met zijn rechterhand, den maître d’hôtel. Deze
twee functionarissen en hun staf zijn met de zorg voor de
passagiers en de bemanning belast. Op een groot schip als
bijvoorbeeld de “Nieuw Amsterdam”, dat volgeboekt bijna
tweeduizend personen herbergt, is dat geen geringe taak. Zij
moeten vooral vooruit zien, want als zij buitengaats tot de
ontdekking komen, dat er iets vergeten is, kunnen zij het niet
meer laten halen. Zij moeten zorgen voor het inslaan en het
bewaren der proviand, voor het schoonhouden der hutten, en het
serveeren der maaltijden – het samenstellen der menu’s is een
onderdeel van hun werk, dat elken dag weer de volle aandacht vergt
-, maar ook voor de muziek bij de thee, aan tafel en des avonds en
voor de gezelschapsspelen; zij moeten filmvoorstellingen kunnen
arrangeren en feesten aanrichten. Veel daarbij moeten zij kunnen
toevertrouwen aan hun medewerkers de koks en de hofmeesters, die
hun vak tot in de puntjes moeten verstaan. Tegenwoordig bestaat
ook daarvoor een school, gesticht door de Maatschappij voor den
Werkenden Stand en een aantal Amsterdamsche reederijen. De
Maatschappij “Nederland” en de Rotterdamsche Lloyd hebben
daarnaast nog eigen opleidingscursussen voor dat deel van het
bedienend personeel, dat uit Inlanders gerecruteerd wordt –
Javanen en Madoerezen -; deze zonen van het tropenland zijn
uitermate geschikt voor dit werk, dat zij met groote toewijding en
intelligentie verrichten. Zij maken van den beginne af deel uit
van de bemanning der schepen van deze beide maatschappijen. Op de
eerste uitreis van het eerste schip van de “Nederland” waren
voor de bediening Amsterdamsche koffiehuisjongens aan boord, maar
zij werden op Java wegens ongeschiktheid vervangen door Inlanders.
Deze Javanen en
Madoerezen zijn overigens niet de eenige vertegenwoordigers der
gekleurde rassen bij de Nederlandsche koopvaardij. Vele
stoomschepen hebben Chineesche stokers en tremmers aan boord;
Rotterdam heeft nog steeds een kolonie van Chineesche zeelieden,
die nu langzamerhand schijnt te verdwijnen. Maar zij heeft in haar
beste jaren een drieduizend inwoners geteld. En op de
West-Indische schepen van de K.N.S.M. vindt men ook de negers en
halfbloeden van Suriname en Curaçao; men kan er de stuurlieden
bevelen horen geven in het Papiamento, de inboorlingentaal van het
Nederlandsche olie-eiland in de West. Al deze kleurlingen tezamen
vormen een kleine staalkaart van de tientallen volken en rassen,
die in andere werelddelen onder Nederlandsche vlag leven. Zij
werken in volmaakte orde samen; men kan dat dikwijls gadeslaan aan
boord van de Amsterdamsche, Rotterdamsche en… Haagsche schepen.
DE HAAGSCHE VLOOT.
Ja, ook Den Haag,
de stad van de deftige referendarissen en luierende
oud-Indischgasten heeft een koopvaardijvloot, een zeer
aanzienlijke zelfs. Maar de meeste schepen, die het woord
“’s-Gravenhage” op den achtersteven onder hun naam hebben
staan, kunnen de stad, waar zij ingeschreven staan, nooit
bereiken. Zij hebben er ook niets te laden of te lossen. Als zij
den steven naar Nederland richten varen zij den Nieuwen Waterweg
op of het Noordzeekanaal. Voor een groot deel van de Haagsche
vloot, die louter een administratief begrip is, is Rotterdam of
Amsterdam de eigenlijke thuishaven. Dat geldt o.m. voor de 25
schepen van de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaartmaatschappij,
die vijf belangrijke verbindingen onderhoudt.
Deze onderneming
werd in 1920 gesticht door acht groote bestaande reederijen,
vier Amsterdamsche en vier Rotterdamsche. Ter wille van de
neutraliteit werd bepaald, dat zij in Den Haag zou zetelen. Haar
taak werd geregelde verbindingen te onderhouden met Oost-Azië,
Brits-Indië, Australië en Afrika. Tezamen met de Hollandsche
Stoomboot-Maatschappij exploiteert zij tevens een afzonderlijke
West-Afrikalijn. De schepen in de Holland-Afrika-lijn plegen
telkens een vaart rondom dit geheele werelddeel te maken, waarbij
zij talrijke havens aanloopen. Een nog veel grooter deel van de
Haagsche vloot bestaat uit tankschepen. Nederlands overzeesche
gebieden bezitten talrijke oliebronnen; bovendien zijn op Curaçao
en Aruba raffinaderijen gevestigd, die de olie van het naburige
Venezuela verwerken. Dit heeft ertoe geleid, dat er een aantal
Nederlandsche tankreederijen is gesticht, dat voor het meerendeel
in Den Haag is gevestigd, omdat de petroleum-maatschappijen daar
nu eenmaal ook gezeteld zijn. Tot de Haagsche tankvloot behooren
drie schepen van de Petroleumindustriemaatschappij, vijf van de
Nederlandsche Koloniale Tankvaart-Maatschappij, twee van de
Bataafsche Petroleum-Maatschappij, zesendertig van de reederij
“La Corona”, zesendertig van de Curaçaosche
Scheepvaart-Maatschappij, twee-en-twintig van de
Nederlandsch-Indische Tankstoombootmaatschappij, vijf van de
Nederlandsche Nieuwe Guinee Petroleummaatschappij en een van de
Nederlandsche Pacific Tankvaart-Maatschappij. De modernste
tankvloot heeft ondertusschen de reederij “De Maas”, de
voortzetting van de oude Rotterdamsche scheepvaartfirma Phs. Van
Ommeren; zij bestaat uit tien groote schepen. Te Rotterdam is ook
nog gezeteld de Tankkustvaartmaatschappij met vier kleine schepen.
De gezamenlijke Nederlandsche tankreederijen tellen meer dan
honderd zeeschepen, waarvan er 85 uitsluitend voor het vervoer van
olie zijn ingericht. Vele ervan, ook een deel van de
allergrootste, die 15.000 b.r.t. meten, zijn hier te lande
gebouwd. Men hoort zelden spreken van deze olieschepen, maar zij
vervullen in al hun bescheidenheid een belangrijke taak, die
overigens moeilijk te beschrijven is. Zij hebben geen vaste
routes, want de tankvaart behoort tot de wilde vaart.
De regelen aan
boord van tankbooten zijn nog strenger dan op andere schepen.
Slechts een uitermate groote zindelijkheid kan voorkomen, dat de
verblijven der opvarenden gaan stinken naar petroleum; een
rookverbod is nodig om de veiligheid van het schip niet in gevaar
te brengen.
HET WAKEND OOG.
De veiligheid van
het schip en zijn bemanning. Alweer een onderwerp, zoo rijk en zoo
veelzijdig, dat er honderden bladzijden over vol te schrijven
zouden zijn. In vroegere eeuwen schijnt men zich wel eens weinig
om veiligheidsmaatregelen bekommerd te hebben. Men had er trouwens
ook niet erg veel kijk op. Wat er precies noodig is om het gevaar
van vergaan zoo klein mogelijk te maken, heeft de bittere ervaring
van zeer vele jaren geleerd. Merkwaardig is wel, dat de overheid
zich er pas heel laat mee is gaan bemoeien. In 1909 werd de
Schepenwet afgekondigd, die staatstoezicht op de koopvaardij- en
visschersvloot invoerde. Twee belangrijke lichamen waren het
gevolg van deze wet, de Scheepvaartinspectie en de Raad voor de
Scheepvaart. De taak van de inspectie begint reeds bij den bouw
van het schip. Zij ziet erop toe, dat de schepen zoo worden
geconstrueerd en ingericht, dat zij de grootst mogelijke
veiligheid verzekeren. Dit toezicht is hoofdzakelijk van
technischen aard. Het materiaal en de machines moeten deugdelijk
zijn. Elk schip moet “tegen een stootje kunnen”, ook nog als
het hard aankomt. Het moet niet kunnen voorkomen, dat b.v.
tengevolge van spanningen heele reeksen klinknagels springen. En
het mag evenmin kunnen gebeuren, dat een zeeman of een
havenarbeider een ongeluk overkomt, omdat het los- en laadgerei
niet van goed materiaal vervaardigd is. Elk schip moet waterdichte
schotten hebben, enzovoorts. Honderd-en-een kleinigheden moeten in
acht worden genomen. Nu is de Scheepvaartinspectie wel niet de
eenige instantie, die daarop let, maar zij moet dan toch waken
voor het in acht nemen van de algemeene regelen, die ten dezen
gesteld zijn. Natuurlijk zal ook de reederij, die opdracht geeft
tot den bouw, haar eischen hebben. En de werf zal, al was het
alleen maar ter wille van haar goeden naam, niet gauw een schip
afleveren, dat bewust slecht in elkaar zit. Bovendien zijn er dan
nog de erkende classificatiebureaux – Veritas *), Lloyds,
Germanischer Lloyd e.a. -, aan wier eischen moet worden voldaan,
willen de verzekeringsmaatschappijen tegen de gebruikelijke
tarieven het schip verzekeren. De Scheepvaartinspectie behoeft dan
ook nooit op te treden als een betweterige bemoeial; veeleer is
zij de centrale vertrouwensinstantie, met welke de gezamenlijke
belanghebbenden in onderling overleg samenwerken.
*) Veritas, thans
een Fransch bureau, is in 1928 opgericht door Koning Willem
I in samenwerking met drie Antwerpsche zakenlieden. Na de
afscheiding werd het Belgisch. Naderhand werd echter het
bijkantoor te Parijs hoofdzetel. Sedert 1868 is het een
Fransch bureau.
Het
staatstoezicht op de schepen is van blijvenden aard. De
gezagvoerders zijn verplicht van elke reis de journalen in te
leveren, opdat de inspectie kan nagaan of de brandblusmiddelen
gecontroleerd, de pompen beproefd en de surveys gehouden zijn en
zoo meer. Zij treedt ook op, als er van de zijde der opvarenden
klachten binnenkomen over b.v. machine-onderdelen, die vernieuwing
behoeven, willen zij niet gevaarlijk worden. De reddingbooten en
de radio-installaties hebben haar volle aandacht. Ook kan zij
ingrijpen als een der opvarenden zich tijdens de reis heeft
misdragen. Veel van dit alles gebeurt zonder dat het publiek er
iets van bespeurt. Van het bestaan van het staatstoezicht bemerkt
het eigenlijk alleen iets als er een zaak in openbare zitting voor
den Raad voor de Scheepvaart wordt gebracht. De Raad voor de
Scheepvaart behandelt elke scheepsramp, elk ongeluk aan boord,
elke overtreding van de voorschriften en elke gegronde klacht van
een zeeman jegens zijn meerdere of van een reederij tegen een
schepeling.
De samenstelling
van den Raad is van dien aard, dat hij alleszins tot oordelen
bevoegd is. De leden zijn alle deskundigen en sinds vele jaren
bekleedt prof. mr. B.M. Taverne, een vermaard jurist, die een
roemvolle carrière als zee-officier achter den rug heeft, met
veel beleid het voorzitterschap. Voor hem heeft een schip geen
geheimen. Hij weet precies wat hij vragen moet. Het is dikwijls
gebeurd, dat een argelooze zeeman stom verbaasd was zooveel parate
kennis van zeezaken aan te treffen bij zulk een “stadsmeneer”.
Dat gaat zoo:
Voorzitter: Hoe
luiden de orders ten aanzien van de sloepenrol?
Getuige: In de
dienstorder staat, dat die zoo spoedig mogelijk na vertrek moet
worden gehouden.
Voorzitter: Na de
samenstelling van de lijsten met de indeeling der passagiers dus.
Maar U zou goed gevonden hebben, dat ze zoo laat gehouden worden,
als hier blijkbaar in de bedoeling heeft gelegen?
Getuige: Neen. Ik
vind het jammer voor den kapitein, die nu omgekomen is bij de
ramp. Hij was altijd zeer nauwkeurig in het naleven van de
dienstorders.
Voorzitter: De
kapitein had orders gegeven na het ontbijt sloepenrol te houden.
Wie is er aansprakelijk voor, dat dit niet is gebeurd?
Getuige: De
kapitein.
Voorzitter: Is
dit niet wat kras uitgedrukt? En de purser dan? De eerste stuurman
is om half tien bij den purser geweest. De kaartjes voor de
passagiers lagen klaar. Waarom is er geen bericht aan den kapitein
gezonden zoodra de kaartjes klaar waren? Was dat geen verzuim?
Getuige: Daar kan
ik geen antwoord op geven.
Voorzitter: Kan
het passage-bureau die kaartjes niet voor het vertrek klaarmaken?
Getuige: Dat gaat
moeilijk, want er komen steeds op het laatste ogenblik
veranderingen.
Voorzitter: Kan
er niet in het Noordzeekanaal al sloepenrol gehouden worden?
Getuige: Dat doen
wij nu, mijnheer de voorzitter; er gaat geen schip meer IJmuiden
uit voor er sloepenrol gehouden is. Na deze ramp zijn de
voorschriften verscherpt.
Urenlang kunnen
deze zittingen duren. Op alle details van een ramp, die van belang
kunnen zijn, wordt diep ingegaan. Soms komt het voor, dat de raad,
naderhand uitspraak doende, den gezagvoerder voor den tijd van
eenige maanden de bevoegdheid ontzegt als kapitein te varen op een
zeeschip. Dan is er onthuld of nalatigheid is gebleken. Maar vaker
komt het voor, dat er geen straf wordt opgelegd; in zulke gevallen
echter formuleert de raad toch een uitvoerig oordeel, dat
gepubliceerd wordt, opdat alle zeevarenden er leering uit kunnen
trekken, zoowel die van de groote als die van de kleine vaart.
DE GROOTE VLOOT DER KLEINE
SCHEPEN.
Ook die van de
kleine vaart, de kustvaart. Daarover heb ik nog niets verteld.
Eeuwenlang was zoo goed als alle scheepvaart kustvaart. Vóór het
kompas was uitgevonden en de middelen der plaatsbepaling op zee
bekend waren geworden, waagden slechts zeer vermetele zeelieden
zich buiten het zicht van de kust. De meesten hadden een heilige
angst voor den Oceaan, want zij meenden, dat die ergens eensklaps
op zou houden en dat zij daar dan met schip en al van de aarde af
zouden vallen in het peilloze oneindige. De waaghalzen, die
ondanks dit alles toch de kust uit het oog durfden verliezen,
namen raven mee aan boord, die zij van tijd tot tijd loslieten.
Vlogen de dieren weg, dan was er land in de buurt; zij zeilden dan
den koers, dien de vogels aangaven en kwamen er. Kwamen zij aan
boord terug, dan was
er geen land in de buurt. De legende vertelt, dat op deze wijze o.m.
IJsland ontdekt is door de Noormannen. Maar deze reizen op het
ravenkompas vormden tenslotte uitzonderingen; verreweg de meeste
schepen bedreven uitsluitend de kustvaart.
Pas tegen het
einde der vijftiende eeuw was er sprake van Oceaanreizen en de
Nederlanders begonnen er niet eerder mee dan in de tweede helft
van de zestiende eeuw. Zoo ontstond er verschil tusschen groote en
kleine vaart. Maar van essentieele beteekenis was die toch ook
weer niet. Een werkelijk verschil tusschen de groote en de kleine
vaart begon zich eigenlijk pas in het begin van de vorige eeuw af
te teekenen. Toen ontstond immers de groote vloot van Groninger
kustvaarders, onafhankelijk van de in Amsterdam en Rotterdam
geconcentreerde koopvaardijvloot der voor het meerendeel groote
reederijen. Het verschil was drieërlei. De
stoomvaart-ondernemingen, die zich in deze beide steden vestigden,
waren groote maatschappijen met elk een kapitaal van vele
millioenen guldens. Zij lieten groote schepen bouwen van vijf-,
tien- of twintig duizend bruto-register-tonnen, soms nog wel meer;
en zij lieten deze schepen varen op lange trajecten, voor een
aanzienlijk deel naar andere werelddelen. De kustvaart, die
daarnaast ontstond, kende daarentegen geen reederijen – nu wel
enkele, maar zij vormen toch nog steeds uitzonderingen -, zij gaat
niet uit van N.V.’s met een millioenenkapitaal en zij bestrijkt
geen groote routes, die het ene werelddeel met het andere
verbinden. Een verschilpunt, dat hoe langer hoe minder essentieel
wordt, is het feit, dat de groote vaart als stoomvaart tot bloei
is gekomen, terwijl de kustvaart na het zeil onmiddellijk naar de
voortstuwing door middel van den motor is overgestapt.
Men spreekt van
de Groninger kustvaart en dat is niet toevallig, want zij vindt
haar ontstaan in de Veenkoloniën van Groningen. In de achttiende
eeuw begon daar de exploitatie van de uitgestrekte venen, die
schijnbaar onuitputtelijke hoeveelheden turf van uitstekende
hoedanigheid opleverden. Daar het gebied met wagens ontoegankelijk
was wegens den slappen bodem werden er kanalen gegraven voor het
vervoer van de turf met binnenschepen. Langs die kanalen
ontstonden dorpen en in die dorpen vestigde zich langzamerhand een
bevolking, die geheel en al van het veen leefde: verveners,
turfgravers, handelaren, binnenschippers. Na verloop van tijd
breidde zich de turfproductie zoozeer uit, dat er in de naaste
omgeving niet voldoende afzetgebied meer te vinden was. De
schippers moesten dus hoe langer hoe verder varen om hun waar aan
den man te brengen. Via de binnenwateren vonden zij de Zuiderzee,
waar aan den overkant de groote steden van Holland lagen. Teneinde
zonder gevaar deze binnenzee, waarop het duchtig kon stormen, te
kunnen oversteken, bouwden zij sterkere schepen dan zij tevoren
noodig hadden gehad. En toen zij die betere vaartuigen eenmaal
bezaten, zagen zij er evenmin bezwaar in met hun koffen over het
Wad naar de monden van den Weser en de Elbe te zeilen om ook in de
steden van Hannover en Pruisen hun turf te gaan verkoopen. Zoo
werden de turfschippers allengs zeevarenden. En zij bleven
zeevarenden, ook toen de turf opraakte en zij op andere wijze een
bestaan moesten zoeken. Het varen zat hun in het bloed; zij hadden
hun relaties en zij waren thuis aan den waterkant. Dus werden zij
vrachtvaarders, die goederen van den meest uiteenloopenden aard
gingen vervoeren. Een enkelen keer gebeurde het zelfs wel eens,
dat een kofschipper naar Brazilië of naar Indië zeilde, maar dat
was toch slechts zelden het geval. Zij bleven varen op
Noord-Duitschland en Holland en vandaar breidden zij hun gebied
uit tot de landen rondom de Oostzee en de Noordzee. De Groninger
vloot telde ver over de duizend koffen en tjalken toen de Fransche
overheersching en het Continentale Stelsel een einde maakten aan
deze bloeiende kustvaart. Zij herstelde zich daarna met
bewonderenswaardige snelheid. Met stoombootondernemingen hielden
de conservatieve Groninger schippers zich niet op; zelfs voor den
clipperbouw toonden zij hoegenaamd geen belangstelling. Zij bleven
zeilen met hun kleine schepen tot de stoomvaart hun bedrijf
volkomen onrendabel had gemaakt. Toen stonden zij voor de keus:
ophouden met varen of moderniseren.
Zij besloten tot
het laatste en lieten motoren in hun schepen bouwen; hulpmotoren.
Tijdens den Eersten Wereldoorlog waren de moeilijkheden weer vele,
maar zij konden toch de wilskracht van de taaie Groningers niet
breken. Zij hadden zich vertrouwd gemaakt met het gebruik van den
motor en lieten nu verder, voor zoover de schepen vernieuwd
moesten worden, louter motorschepen bouwen, zij het nog steeds van
bescheiden afmetingen. Ten hoogste een paar honderd ton. Met die
motorschepen was weer geld te verdienen. Dus groeide de vloot uit
tot een vier- à vijfhonderd schepen. In 1936 en 1937 was
het zoo, dat er gemiddeld om de tien dagen een nieuwe kustvaarder
van stapel liep. Deze schepen werden alle gebouwd op de werven
langs de kanalen in Groningen; dat gebeurde dan op dwarshellingen,
omdat daar te weinig water is om een schip op de gebruikelijke
wijze te water te laten. Vrijwel al deze schepen werden gebouwd
voor rekening van een schipper, die dus tevens als eigenaar
optrad. En zij kwamen alle in de wilde vaart. In de Oostzee, de
Noordzee, het Kanaal en de wateren van Engeland kon men ze
geregeld aantreffen. Zij konden daar gemakkelijk concurreren tegen
de Engelsche kustvaarders; dat zijn stoomschepen, die veel duurder
in de exploitatie zijn.
DRENTE’S GLORIE.
Deze Groningers
verwierven zich in luttele jaren een goeden naam en ook hun
schepen – een geheel eigen type – raakten bekend. Zoozeer
zelfs, dat die kleine werven daar in het Noorden vele groote
bestellingen uit verre landen kregen, zowel voor de kustvaart als
voor de rivier- en de binnenvaart. Maar vele der bestellingen
kwamen toch uit de nabije omgeving, want de eigenlijke ondernemers
bleven de nazaten der achttiend’eeuwsche turfschippers van
Groningen en Drente.
Ja, ook in
Drente, want de Veenkoloniën strekken zich uit ter weerszijden
van de Groningsch-Drentsche grens, al liggen zij dan voor het
meerendeel op Groningsch gebied. Generaliserend kan men dus wel
van de Groninger kustvloot spreken, maar wil men niemand te kort
doen, dan is het juister haar de Groningsch-Drentsche vloot te
noemen. Een deel der schippers woont nog steeds in Drente. Dat is
ook een uitvloeisel van het conservatisme van dit volkje. Het is
er eenvoudig niet weg te
slaan uit de dorpen langs de kanalen, ook niet nu het toch wel een
beetje ondoelmatig is geworden er te blijven wonen. De Drentsche
kanalen zijn n.l. niet gelijk enkele Groningsche tijdig verbreed
en uitgediept. De schippers kunnen dus nog wel de stad Groningen
bereiken, maar niet een onaanzienlijk oord als Gasselternijeveen.
De schippers, die
daar wonen, kunnen nooit met hun schip thuis komen. Als zij hun
huis opzoeken moeten zij hun vaartuig ergens anders achterlaten.
Maar dat hebben zij er wel voor over. Liever dit kleine ongerief
dan het dorp der vaderen in den steek te laten. Daar deze
schippers tevens de eigenaars van hun vaartuigen zijn, staan de
schepen, waarop zij varen, dus ingeschreven in het register van de
plaats hunner inwoning. Dit is de reden, waarom het kleine
Gasselternijeveen zulk een belangrijke plaats inneemt in de
jaarboeken der Nederlansche koopvaardij, in zeker opzicht zelfs…
de allerbelangrijkste plaats. De vloot van Gasselternijeveen heeft
namelijk per hoofd der bevolking een grootere tonnage dan die van
welke andere plaats in ons land ook. Amsterdam komt met 536.371
b.r.t. op 800.000 inwoners nog niet tot een ton. Rotterdam brengt
het met 985.296 b.r.t. op 600.000 inwoners tot anderhalf, doch
Gasselternijeveen kan met 2.832 b.r.t. op 1400 inwoners bogen op
een scheepsbezit van twee ton per hoofd.
Het zijn
overigens maar kleine schepen; de grootste met 360 ton en de twee
kleinsten elk 96. Dat zijn zoo de gangbare tonnages in de
kustvaart. In het algemeen rekent men alle zeevarende vrachtbooten
beneden de 500 b.r.t. tot de kustvloot te behooren. Die grens is
een beetje willekeurig. Op de grootte kom ’t ook minder aan.
Doorslaggevend is de diepgang. Het bijzondere van de kustvaart is
niet zoozeer, dat zij langs de kust gaat – want dat doet zij
lang niet altijd -, maar dat zij diep in het land weet in te
dringen. Als er vrachtgoederen van Keulen verzonden moeten worden
naar zegge Limerick in Ierland, dan kan een kustvaarder die
geheele reis volbrengen, via den Rijn, de zee en de Shannonrivier.
Zonder dit scheepstype zouden die goederen per Rijnaak van Keulen
naar Rotterdam verzonden moeten worden, vandaar per zeilschip naar
Dublin en van Dublin per trein naar de plaats van bestemming,
hetgeen veel en veel duurder zou komen. Daarin schuilt het
voordeel van de kustvaart, dat zij een combinatie vormt van
zeevaart en binnenvaart. Dat kan zij alleen bij geringen diepgang,
minder dan drie meter. Daarom moeten kustvaarders kleine schepen
zijn. En de practijk heeft geleerd, dat zij niet meer aan de
speciale eischen van hun aard voldoen, als zij ver boven de 500
b.r.t. uitkomen.
Kustvaarders
beoefenen zonder uitzondering de wilde vaart. En zij vervoeren
alles wat zij kunnen krijgen. De meest uiteenlopende goederen
worden met deze handige scheepjes overgebracht van plaatsen en
naar plaatsen, die er nooit van gedroomd hadden, dat zij na het
verdwijnen der zeilvaart ooit nog weer een aandeel, hoe bescheiden
ook, in de koopvaardij zouden krijgen. Venlo in Limburg en Hengelo
in Twente zijn, dank zij de kustvaart, zeehavens geworden. Dat
klinkt vreemd, maar tenslotte is het zoo. Er is zelfs eenige jaren
geleden en vrij geregelde vaart ontstaan van Hengelo op Zweden,
gebaseerd op het vervoer van zout uit de Boekelosche
zoutwinningsgebieden.
LEIDSLIEDEN TER ZEE.
Deze kustvaarders
mogen meer zijn dan kustvaarders alleen, de opvarenden van deze
schepen zijn kenners van onze kusten bij uitnemendheid. Dat kwam
aan het licht in het najaar van 1939, toen de oorlog tusschen
Duitschland en Engeland uitgebroken was. Engeland had toen
uitgebreide mijnenvelden gelegd in de Noordzee benoorden Nederland
en onze marine had de zeegaten tusschen de Waddeneilanden eveneens
met mijnen versperd. Bovendien waren de drijvende bakens op de
banken en in de geulen weggenomen, terwijl des nachts de lichten
der vuurtorens boven Egmond gedoofd bleven. Het was dus wel erg
gevaarlijk geworden van de Oostzee naar de Nederlandsche of
Belgische havens te varen en toch wilde de neutrale scheepvaart
volhouden zoolang het mogelijk was. In die omstandigheden nu
bracht een groepje kapiteins en stuurlieden van de Groninger
kustvaart, dat zich te Delfzijl gevestigd had, uitkomst. Een
hunner heeft mij destijds verteld, hoe dat gebeurde.
- Hier te
Delfzijl, zeide hij, hebben wij een kantoor gevestigd, waar de
kapiteins van de schepen, die uit de Oostzee komen en om de Zuid
moeten, onze hulp kunnen aanvragen. Worden wij opgeroepen, dan
vertrekken wij hier des nachts met een sleepboot naar de reede van
Borkum, opdat wij bij het krieken van den ochtend kunnen
vertrekken. Het is noodig zoo vroeg weg te gaan, omdat wij per se
Terschelling voorbij moeten zijn als de avond ingevallen is. Dat
is een afstand van een kleine zeventig mijl. Het kan dus net. Onze
taak bestaat nu hierin, dat wij de schepen zoo dicht mogelijk
onder de kust langs loodsen om de mijnenvelden te ontloopen en
tegelijkertijd zoo ver mogelijk uit de kust om niet op de banken
te stranden. Over het algemeen doen wij dat door de
zeven-vademlijn te volgen. Dat lijkt dus vrij eenvoudig, mar men
kan het alleen, als men het water kent als zijn eigen broekzak,
want de bakens zijn weg. Er is dus alleen verkenning op de vaste
punten van den wal en verder laten wij voortdurend looden. Zoo
komen wij er tenslotte met een beetje inspanning wel…
Zoo kwamen zij er
inderdaad, op een enkele na dan, die op een mijn liep. Het was een
schier bovenmenschelijke taak, die deze onverschrokken kerels op
zich genomen hadden. Vooral, omdat er bij Terschelling een punt
was, waar de twee mijnenvelden elkaar overlapten. Maar zij
volbrachten haar telkens opnieuw deze “slikloodsen” van
Delfzijl, gelijk zij genoemd werden.
Indertijd zijn
deze geleiders wel eens verward met de officieele loodsen. Die
hebben echter een heel andere taak, waarop evenwel in dit bestek
ook wel even de aandacht gevestigd mag worden. Dat zijn de
leidslieden in rijksdienst, die tot taak hebben de schepen van zee
uit de havens binnen te geleiden of omgekeerd. Zoowel de
buitenlandsche als de Nederlandsche gezagvoerders kunnen den
bijstand van de loodsen niet ontberen bij het in- en uitvaren. Het
is nu eenmaal onmogelijk alle droogten en banken, alle stroomen en
geulen voor de kust te kennen als men er niet dagelijks vertoeft
en het is evenmin onmogelijk van elke haven, zelfs van de
thuishaven, te weten waar het water twaalf en waar het acht meter
diep is en waar een groot schip nog net kan zwaaien zonder den
grond te raken. Van dergelijke dingen weet men slechts af, als men
dag in dag uit in die haven zijn bezigheid heeft. Dat is het geval
met de zee- en havenloodsen. Hoe goed zij het water kennen, moge
duidelijk worden uit een enkel staaltje, dat ik hier vertel. Het
gebeurde een aantal jaren geleden, dat een der Amsterdamsche
loodsen naast den gezagvoerder op de brug stond van een grooten
Oostinjevaarder, die juist de haven verliet. Een zware mist hing
over het IJ. Onbevaarbaar weer heet dat bij de zeelui. Het schip
vertrok toch. Vertrouwend op de grote ervaring van den loods voer
de gezagvoerder zeewaarts. De vaart werd tot een minimum
teruggebracht, toen men de Hembrug naderde. Scherp werd er
uitgekeken. Iedereen zweeg. Alleen de misthoorn brulde regelmatig
zijn naargeestige tonen uit over het water en het land.
- Ik zie nog
steeds geen brug, zei opeens de roerganger, wien de spanning te
sterk werd.
- Wij zitten er
al midden in, antwoordde de loods rustig.
Zie, dat was een
staaltje van zelfvertrouwen, waarvoor elke zeeman eerbied zal
hebben. Zoo kennen de loodsen havens, waterwegen naar zee en het
uitgebreide kustgebied. Maar die kennis doen zij niet op dan na
een zeer lange opleiding. Vaak duurt het van tien tot zestien jaar
eer een loodskwekeling zijn examen kan doen en een aanstelling
krijgt als hulploods. Het Loodswezen in Nederland heeft nog heel
lang uitsluitend met zeilschepen gevaren, schoeners en kotters. De
kotters kruisten onder de kust om binnen te loodsen schepen op te
vangen; de schoeners voeren de koopvaarders tot in het Kanaal
tegemoet. Die van Den Helder zeilden tot Dungeness, die van
Vlissingen zelfs tot Beachy Head. Later, toen de bebakening en de
bevuring in het Kanaal beter werden, was daar geen reden meer
voor. De vooruitgeschoven posten werden toen opgeheven. Zoo
verdwenen de schoeners. Een gedeelte van de kotters heeft nog tot
na den Eersten Wereldoorlog dienst gedaan.
GEBOORTEGROND VAN DEN
SCHEEPSMOTOR .
Alle
kustvaarders, schreef ik, zijn motorschepen. Dat vinden wij in
deze dagen niets bijzonders meer. En toch is het nog niet zoo heel
lang geleden, dat er nog geen motorschepen waren, omdat… de
scheepsmotoren nog uitgevonden moesten worden. Die uitvinding,
waarvan de belangrijkheid nauwelijks te schatten is, is voor een
goed deel in Nederland gedaan. Wij kunnen zonder overdrijving
zeggen, dat de geboortegrond van den scheepsmotor te Amsterdam
ligt. De man, die in dezen baanbrekend werk heeft verricht, heet
Jan Goedkoop. Jan Goedkoop is een zoon van den thans overleden
scheepsbouwer Daan Goedkoop van de werf “’t Kromhout”,
waarover ik eenige bladzijden tevoren het een en ander verteld
heb. In 1894 werd deze toen 44-jarige bezitter van het
bedrijfje aan de Hoogte Kadijk directeur van de Nederlandsche
Scheepsbouw-Maatschappij, welke werf hij zou maken tot de
belangrijkste van het land. Hij aanvaardde deze taak met volledige
toewijding, zoodat hij “’t Kromhout” in den steek liet. Daar
stelde hij zijn negentienjarigen zoon Daan Goedkoop Jr. aan het
hoofd. Een paar jaar later kwam ook Jan Goedkoop, een andere zoon,
die een M.T.S. had afgeloopen, op de werf werken. Deze nu, die tot
taak had stoommachines te bouwen in de schepen, die zijn broer
vervaardigde, kon het denkbeeld niet van zich afzetten, dat
benzine- of oliemotoren, die toen alleen nog maar voor stationaire
doeleinden gebruikt werden, zoodanig veranderd moesten kunnen
worden, dat zij bruikbaar zouden zijn om schepen voort te stuwen.
Welnu, de werf bood volop gelegenheid tot het doen van
proefnemingen. Het resultaat was tenslotte, d.w.z. na een jaar of
vier ploeteren, een bruikbare motorboot. Daarmee ging nu Daan
Goedkoop Jr. demonstraties geven in binnen- en buitenland.
Aanvankelijk toonde, na Nederland, Engeland de meeste
belangstelling, maar ook uit China en Zuid-Amerika kwamen blijken
van geestdrift voor de nieuwe vinding. Maar het eerste
zeeschip, dat op een motor het zeegat uitging, was er toch een
onder Nederlandsche vlag. Dat gebeurde in 1910. Het was de
kleine “Vulcanus”, en de machinist had in het begin
heel wat moeilijkheden met zijn gloeikopmotor, maar varen deed het
geval toch. En dat was de hoofdzaak. Die motor was overigens bij
Werkspoor te Amsterdam gebouwd. De ondervinding leerde allengs,
wat er aan veranderd moest worden. De gebroeders Goedkoop hadden
zulk een rotsvast vertrouwen in den scheepsmotor, dat zij reeds in
1908, toen er dus nog geen enkel zeegaand motorschip
bestond, de werf van de hand deden en een scheepsmotorenfabriek
stichtten. Daar komen sedertdien de beroemde Nederlandsche
“Kromhout”-dieselmotoren vandaan, waarmede sedertdien
honderden schepen en scheepjes, groote en kleine, zijn uitgerust.
DE GROOTTE ONZER VLOOT.
Geen wonder, dat
bij dezen gang van zaken de Nederlandsche koopvaardijvloot spoedig
voor een deel gemotoriseerd werd. Bij den bouw van nieuwe schepen,
vooral na den Eersten Wereldoorlog, werden de meeste stoomboten
vervangen door motorschepen. De
K.P.M. behoorde tot de eerste reederijen, die daartoe het
besluit namen. Het gevolg is, dat volgens de jongste ter
beschikking staande gegevens de Nederlandsche koopvaardijvloot,
die 1208 schepen telt, tezamen metende ongeveer acht millioen M³.
bruto of drie millioen b.r.t niet minder dan 713 motorschepen telt
tegen 453 stoomschepen; de rest bestaat dan uit vaartuigen zonder
eigen voortstuwing.
Daarvan zijn er
84 passagiersschepen, 645 vrachtschepen, 83 tankschepen, 48
sleepbooten, 97 zeilschepen met hulpvermogen, 2 zeilschepen, 2
sleeplichters, 2 tanklichters en 29 andere vaartuigen zonder eigen
voortstuwing met Nederlandsche scheepspapieren, voorts 164 schepen
met Ned. Indische papieren, benevens 50 met Curaçaosche en 2 met
Surinaamsche. Dit beteekent overigens niet, dat er maar heel
weinig eigen schepen in de overzeesche gebieden zouden varen. De
schepen van de K.P.M., die de grootste Indische vloot vormen,
staan te Amsterdam geregistreerd, evenals die van de K.N.S.M.,
waarvan er een deel de West-Indische wateren bevaart. Ook de te
’s-Gravenhage geregistreerde tankvloot maakt eigenlijk deel uit
van het scheepsbezit der gebieden overzee.
De registratie
der schepen is een beetje willekeurig en geeft wel eens een ander
beeld dan de bedoeling is. Men moet bijvoorbeeld de belangrijkheid
van Vlissingen niet afmeten naar het luttele getal der vijf
schepen van de maatschappij “Zeeland”, die van daaruit een
passagiersdienst op Harwich onderhoudt. Vlissingen is behalve de
zetel dezer reederij ook nog een voorhaven van Antwerpen, een
sleepbootpost en een bunkerstation. Naar de plaatsen van
inschrijving gerekend is onze koopvaardijvloot trouwens nogal
wispelturig geweest in de loop der eeuwen. Niet alleen zijn Hoorn
en Enkhuizen belangrijke scheepvaartcentra geweest, maar ook
Blokzijl en Hindeloopen. En nog in de vorige eeuw beteekenden
Dordrecht en Middelburg veel meer dan thans voor de koopvaardij.
Ook is er vele jaren een belangrijke reederij gevestigd geweest te
Bussum. Waarom ook niet? Het klinkt een beetje gek, maar dat is
dan ook het eenige bezwaar.
Er werken op de
twaalhonderd schepen misschien een zestigduizend zeelieden. Dat
beteekent een bestaan voor zestigduizend Nederlandsche gezinnen,
hetgeen al zeer belangrijk is. Maar het beteekent nog veel meer,
want dank zij deze vloot telt ons land zoo vele en zulke
belangrijke werven en dokken en daarmee verwante bedrijven. Een
zeer globale schatting aan den lagen kant laat zien, dat de bouw
van een enkel groot mailschip gedurende twee jaar lang direct werk
geeft aan zeker driehonderd personen. En indirect profiteren er
dan nog negenhonderd anderen bovendien van gedurende al dien tijd.
DE INGEWANDEN VAN EEN SCHIP.
Dat komt, omdat
een schip zoo’n ingewikkeld geval is geworden. Vroeger waren er
ook veel menschen, die langs een omwegje den kost verdienden aan
de schepen. De touwslagers bijvoorbeeld en de zeilmakers en niet
te vergeten de houtzagers; niet voor niets zijn de zaagmolens aan
de Zaan uitgevonden. Nu echter is dat in nog veel sterkere mate
het geval. Daarvan krijgt men wel sterk den indruk, wanneer men
een bezoek brengt aan het inwendige van een groot schip. Eenige
jaren geleden had ik het voorrecht den proeftocht mee te maken van
het m.s. “Oranje”, den nieuwsten Oostinjevaarder van
20.000 b.r.t., het grootste schip van de Amsterdamsche vloot en
bovendien… met zijn snelheid van 26¼ mijl, of 48 km per uur het
snelste motor-mailschip ter wereld.
Tijdens dien
proeftocht dan, die drie dagen duurde – dat was waarlijk nodig
om alle proeven te nemen, die er genomen moesten worden -, maakte
ik behalve de reis op het schip ook een reis dóór het schip mee.
En die was tenminste even belangwekkend. De machinekamer bleek een
enorme hal te zijn, grooter dan menige vergaderzaal in een
aanzienlijke stad. Daar stonden de drie voortstuwingsmotoren naast
elkaar boven de meer dan honderd ton wegende krukassen opgesteld.
Merkwaardige gewaarwording was, dat wij er niets zagen bewegen,
ofschoon het schip op volle toeren de Noordzee doorkliefde, dat
het er niet benauwd was, dat men er niet behoefde te bukken en te
kruipen. Er was een overvloed van ruimte en licht. Meer dan 37,500
paardekrachten ontwikkelden die drie twaalf cylinder twee tact
dieselmotoren tezamen en toch deden de machinisten op wacht niet
meer dan op de wijzertjes van al die meters letten en met een dot
poetskatoen rondloopen. In de aangrenzende ruimten stonden de
electrische centrale van het schip, de zoutwaterpompen voor het
sanitair en de bluschinrichting, de centrale
destillatie-inrichting, die per dag meer dan 300 ton zeewater in
drinkwater kon veranderen en nog zoo het een en ander. De
hoofdmachinist vertelde, dat hij geen kans zag in een heelen dag
alle machines en technische installaties te inspecteeren.
Geen wonder, want
de machinekamer op zoo’n schip is een groote fabriek. En dat mag
ook wel, want als het schip volgeboekt op zee is, staat het gelijk
met een stadje van 1100 inwoners, waarvan niet alleen de bewoners
veeleischende lieden zijn, maar dat zich bovendien nog moet
verplaatsen met een snelheid van een slordige duizend kilometer
per etmaal. Daar komt wat voor kijken. Neem alleen die drie
hoofdmotoren eens. Voor het aanzetten daarvan waren
luchtcompressoren opgesteld, gedreven door een electromotor. De
voor de hoofdmotoren benoodigde spoellucht werd geleverd door drie
turbospoelpompen, die alle drie gekoppeld waren aan twee
electromotoren van 1000 pk. En verticale pompen van drie meter
hoogte zorgden voor de circulatie van het koelwater. In de
uitlaatleiding van elken hoofdmotor was een uitlaatgassenketel
geplaatst met 450 m² verwarmd oppervlak. Deze ketels leverden een
groot kwantum stoom van lagen druk voor de verwarming in de
werkplaatsen en in de luchtverhitters van de
ventilatie-inrichting; ook voorzagen zij de destillatie-inrichting
van den noodigen stoom. In de hulpmachinekamer stonden vijf
hulpdieselmotoren, enkelwerkend twee tact, elk gekoppeld met een
dynamo van 100 kw. Voor de dynamo’s bevond zich een zeer
uitgebreid schakelbord, waarop honderden schakelaars en
meetapparaten. Naast de hulpmachinekamer bevond zich de geheel
afgesloten vriesmachinekamer, waar drie electrisch gedreven
compressoren, de condensors, de water- en luchtkoelers. Ook stond
daar een groot aantal pompen voor het koel- en vriesbedrijf; het
schip had n.l. talrijke koel- en vrieskamers voor het bier, den
wijn, het fruit, de groente, het vleesch, de aardappelen en het
ijs voor eigen gebruik in de keuken en in de pentries.
Boven de vriesmachinekamer bevond zich de destillatie-inrichting
en het centrale scheepswaterleidingbedrijf. Er waren verder nog
tal van secundaire machines, zooals drie met olie gestookte
ketels, te gebruiken als het schip stil zou liggen. Er waren drie
sanitaire pompen en zeven automatische afvalpompen voor het
regelmatig doen functionneeren van de rioleerinrichting van het
schip. Het schip beschikte over drie inwendige kranen en vier
lieren, benevens tien electrische dekkranen en verscheidene
liften. Voor de electrische verlichting van het schip waren er
vijf grote dynamo’s met drie omvormers; het schip telde
duizenden lichtpunten, zestig electrische klokken, een eigen
telefoonnet en een bel-licht-roepsysteem om de hutjongens te
ontbieden. En dan waren er nog welgeteld 110 instrumenten op de
stuurbrug en in de kaartenkamer, die ik hier niet alle beschrijven
zal. Er waren drie telegrafen naar de machinekamer, een telemotor
om de beweging van het stuurrad hydraulisch op het stuur over te
brengen en electrische telemotor voor hetzelfde doel. Voorts waren
er sperry-girokompassen, d.w.z. automatische roergangers, een
radiorichtingzoeker, een koersregistreerende
magneto-striction-dieptemeter en vele andere toestellen. Voorts
waren alle keukens uitgerust met machines en ook de wasscherij, de
strijkerij en de kapperswinkel. De radiohut, voorzien van de
modernste snufjes, was ook al een en al instrumentarium. Hart en
hoofd van het schip noemt men gewoonlijk de machinekamer en de
brug. Deze reis door het inwendige van dezen Oostinjevaarder
maakte mij duidelijk, dat het hart tenminste even belangrijk is
als het hoofd. En nu mogen niet alle schepen zulk een uitgebreide
technische uitrusting hebben – bij passagiersvervoer komt nu
eeenmaal heel wat meer kijken dan bij vrachtvaart -, alle
Nederlandsche koopvaarders zijn even goed uitgerust als hecht
gebouwd. Zij kunnen zich meten met de beste schepen van het
buitenland.
DE ROEM VAN MAASSLUIS.
Een klein, maar
uitermate belangrijk onderdeel van deze trotschen vloot onder het
rood-wit-blauw vormen de zeegaande sleepbooten, waarvan er sommige
prestaties hebben verricht, die de aandacht van de geheele wereld
hebben getrokken. Er zijn er slechts 48 in totaal; d.w.z. er zijn
veel meer Nederlandsche sleepbooten, maar de meeste varen in de
havens en op de kanalen en rivieren. Die laat ik hier buiten
beschouwing, zooals ik ook niet schrijf over de Rijnvaart en de
binnenvaart, die duizenden schepen tellen. Die 48 zeegaande
sleepbooten dan zijn gestationneerd op Terschelling, in Den
Helder, te IJmuiden, te Hoek van Holland, te Maassluis en te
Vlissingen. Ook bevindt een deel zich voortdurend in het
buitenland. De grootste firma op dit gebied is L. Smit en Co.’s
Internationale Sleepdienst te Rotterdam; haar booten hebben
Maassluis als thuishaven. Daar wonen de kapiteins en de
stuurlieden, al treft men hen er weinig thuis.
Deze sleepdienst
is reeds honderd jaar oud. In 1842 werd zij opgericht door
Fop Smit te Slikkerveer. Hij toch bouwde het eerste stoomvaarttuig
voor het sleepen van zeilschepen van Hellevoetsluis naar zee en
omgekeerd en hij had er succes mee, want het was voor de schepen
zonder mechanische voortstuwing vaak heel lastig van de nauwe
stroomen buitengaats te komen. Dank zij dit werk raakte de groep
mannen, die het vaste personeel vormden van dezen sleepdienst,
vertrouwd met de bijzondere eischen, die het sleepen aan de
opvarenden stelt. En zij droegen hun ervaring over van geslacht op
geslacht, zoodat de teegenwoordige zeeslepers van Leen Smit –
zoo heet de dienst gemeenlijk in de wandeling – beschikken over
een vakkennis, die in geen enkel studieboek beschreven staat en
die iemand buiten dit bedrijf zich ternauwernood verwerven kan.
Dit maakte hen tot de aangewezen personen voor het transporteren
van dokken en andere logge gevaarten over zee.
Tegen het einde
van de vorige eeuw kwam dat werk het eerst aan de orde. In 1896
brachten sleepbooten van L. Smit & Co. een dok van 1350 ton
van Rotterdam naar Sao Paulo de Loanda. Dat was het begin. Daarop
volgden andere dokken en baggermolens. Naarmate de schepen grooter
werden moesten over de geheele wereld de havens uitgediept en
vergroot worden. Vaak werden zulke karweien opgedragen aan
Nederlandsche baggermaatschappijen, die in dit werk veel ervaring
hebben. En die hielden het dadelijk voor een goede gewoonte hun
benoodigdheden door Nederlandsche sleepbooten te doen overbrengen.
Die baggermolens en zuigers, drijvende bokken en hulpvaartuigen
werden, als zij groote reizen moesten maken, wel zeewaardig
gemaakt, maar zij hadden geen eigen voortstuwing. Vandaar, dat er
steeds sleepbooten voor noodig waren. Vandaar ook echter de
rubriek “aannemersmateriaal” in de koopvaardijstatistieken.
Daaronder vielen en vallen ook nu nog de meest vreemdsoortige
vaartuigen, die men niet op zee zou verwachten. Zij steken echter
echter geregeld de Oceanen over, dank zij het bekwame vakmanschap
van de zeesleepers. Het is in den loop der jaren maar heel weinig
voorgekomen, dat deze vaartuigen, die – al mogen zij voor de
reis zeewaardig gemaakt worden – toch niet voor oceaanreizen
bestemd zijn, verloren gaan. Het verliespercentage van alles wat
de sleepbooten van L. Smit en Co. Sedert dat eerste dok in 1896
over zee getransporteerd hebben, bedraagt niet meer dan 0.8. Het
scheelt niet veel, of men steekt veiliger per baggermolen den
Atlantischen Oceaan over dan te voet het Amsterdamsche Muntplein.
En dan te weten,
dat dat eerste dok van 1350 ton nog maar een peuleschilletje was
bij wat er in latere jaren versleept moest worden. In 1926
sleepten de booten van dezelfde firma hun vijftigste dok van
Portsmouth naar Rosyth; het mat 40.000 ton. Maar ook dat was nog
niet het maximum. In 1928 moesten de Nederlandsche sleepers
weer voor Engelsche rekening een dok naar den andere kant van den
aardbol brengen. Het mat 50.000 ton, was gebouwd aan de oevers van
de Tyne en had tot bestemming de haven van Singapore. Dit dok is
door middel van acht sleepbooten in twee delen overgebracht. Drie
jaar later volgde de opdracht tot een nog langere sleepreis met
weer een Engelsch dok, dat eveneens aan de Tyne gebouwd was en
naar Wellington in Nieuw Zeeland moest. Het is er gekomen na een
reis van vele maanden. Hard gaat zoo’n transport nooit. Dat ligt
overigens aan het dok, niet aan de sleepbooten, want die kunnen
meestal een behoorlijke snelheid ontwikkelen.
De “Zwarte
Zee” bijvoorbeeld loopt zonder sleep 30.5 km per uur. Maar
dat is dan ook de snelste, de sterkste en de grootste sleepboot
ter wereld. In 1933 is zij gebouwd bij L. Smit en Zonen te
Kinderdijk – het aloude geslacht der Smitten heeft vele telgen,
die hun bedrijf op en aan het water hebben -; zij heeft een
oliemotor van 3200 paardekrachten en een inhoud van 793 b.r.t.
Vergeleken bij de groote koopvaardijschepen is zoo’n boot vrij
bescheiden van afmetingen; zij is natuurlijk niet grooter dan
strikt noodzakelijk is. De bemanning bestaat uit 18 koppen.
Toch houdt de
Internationale Sleepdienst zich niet uitsluitend bezig met het
transporteeren van dokken, baggermolens en kranen. Sinds 1922
maakt hij ook geregeld werk van het redden van in nood verkeerende
schepen. Dat is begonnen in 1922, toen de “Roode
Zee” op de Azoren werd gestationneerd. Deze sleepboot was
met een radio-installatie uitgerust. Zoodra nu de marconist seinen
opving van een in nood verkeerend schip, voer de boot er op af.
Eigenlijk was dat niet heelemaal in den haak, want die seinen
waren lang niet altijd voor de “Roode Zee” bestemd.
Maar in de practijk zag men dat door de vingers, want op deze
wijze werden vele schepen veilig geborgen. De draadlooze peiling
maakte het zoeken gemakkelijker. Later werd het aantal stations
uitgebreid tot een krans rondom den Atlantischen Oceaan. Zij
werden gevestigd te Vlissingen, La Coruna in Spanje, Great
Yarmouth in Engeland, op de Azoren, te Queenstown in Ierland en te
St. John op New Foundland. Elk winterseizoen kwamen daar nu
sleepbooten te liggen, die door middel van een speciaal morsesein
– elke marconist kan u vertellen, dat het teeken PISL de hulp
van L. Smit en Co. inroept – gewaarschuwd kunnen worden. Dat
deze organisatie de vaart over den Oceaan aanzienlijk veiliger
heeft gemaakt blijkt wel uit de talloze reddingen, die deze
sleepbooten in de afgeloopen twintig jaar reeds hebben verricht.
Deze
hulpverlening is overigens niet louter uit menschlievendheid
opgezet. Zij vormt een bedrijf op zuiver zakelijken grondslag. Het
stationneren kost veel geld: één winter vergt een uitgaaf van
een ton. En er moet heel wat gebeuren voor dat bedrag er weer
uitgekomen is. De hulpverleening geschiedt meestal op de basis van
“no cure no pay” – d.w.z. als de berging niet is gelukt,
behoeft de moeite niet te worden betaald – en volgens de
formule, die Lloyds daarvoor heeft vastgesteld. Het bedrag wordt
niet vooraf overeengekomen. Soms wordt het bepaald door een
onderlinge schikking, soms door middel van arbitrale rechtspraak.
In dit merkwaardige zeemansbedrijf heerscht ook al concurrentie en
die is er de oorzaak van, dat de “Zwarte Zee” gebouwd
is, de grootste, de sterkste en de snelste onder haar rivalen; een
van de vele schepen, die met rechtmatigen trots de driekleur van
den achtersteven laten wapperen.
GOLVEN OVER DE GOLVEN.
Dank zij de radio
kon deze hulpdienst der Nederlandsche sleepbooten tot ontwikkeling
komen. Maar ook afgezien van deze hulpverleening heeft de
uitvinding van Marconi veel bijgedragen tot de vergrooting der
veiligheid op zee. Gebeurde het in vroegere eeuwen maar al te
vaak, dat schepen uitvoeren om niet meer terug te keren – zij
“bleven”, gelijk dat heet -, tegenwoordig blijft vrijwel geen
scheepsramp onopgemerkt, want bijna alle zeeschepen hebben
radiozenders aan boord. Bijna alle; de vrachtbooten in de kleine
vaart volstaan nog wel eens met een ontvanger alleen. In het
najaar van 1939 nog zijn twee Gasselternijeveensche
kustvaarders “Tegri” en
“Safe” uitgevaren en niet meer binnengeloopen. Maar dat
zijn toch uitzonderingen.
Trouwens, een
radio-ontvanger alleen is al een waardevol hulpmiddel voor den
zeeman. Allerlei zenders, verspreid over de geheele aarde, deelen
(als er geen oorlog is natuurlijk) eenige malen per dag de
weerberichten en weervoorspellingen mee betreffende alle
drukbevaren zeeën en routes. Als de zeeman die geregeld
beluistert, weet hij wat hem te wachten staat. Hij kan er dan
rekening mee houden. Verrassingen zijn dan ook, wat het weer
betreft, zoo goed als uitgesloten, want de meteorologische
waarnemingen en mededeelingen berusten op wetenschappelijke
grondslag. Er is geen schip, aan boord waarvan het opnemen der
weerberichten verwaarloosd wordt.
Nog veel
belangrijker is de radio voor den zeeman, wanneer hij behalve een
ontvanger ook een zender aan boord heeft. Dan kan hij in geval van
nood een mededeeling naar den vasten wal of naar andere schepen
zenden. Is er een op zee onherstelbaar defect aan de machine of is
het roer stuk, dan kan per radio een sleepboot opgeroepen worden.
Meermalen is het gebeurd, dat een vrachtschip zonder dokter aan
boord voor een spoedoperatie de hulp van den scheepsarts van een
naburig passagiersschip kon inroepen. En met succes! Is er brand
aan boord, of dreigt
het schip anderszins ten onder te gaan, dan is het mogelijk andere
schepen daarop opmerkzaam te maken. Die snellen dan te hulp. En
mochten zij het noodlottige schip al niet meer aantreffen, dan
toch zullen zij zoeken naar de sloepen met de bemanning en de
passagiers. Duizenden zeelieden, die bij een ramp betrokken zijn
geweest, danken aan de radio hun leven. Voor de bediening van de
radiozend- en ontvanginrichting bevindt zich aan boord een
marconist of radiotelegrafist; een figuur, die eenige tientallen
jaren geleden nog niet bestond. Hij is een beetje eenzame figuur
op een schip, want hij behoort eigenlijk nergens bij en zijn werk
staat geheel op zichzelf. Maar dat deert hem doorgaans niet. Hij
weet wat hij waard is en hij krijgt de waardering die hem toekomt.
Zijn taak is voortdurend verbinding te onderhouden met den vasten
wal. Hij moet de weerberichten opvangen, benevens alle
telegrammen, die voor het schip bestemd zijn. Ook dat komt veel
voor. De reederij kan den gezagvoerder orders en contra-orders
doen toekomen, terwijl hij nog varende is. En voorts is iedereen
in de gelegenheid particuliere telegrammen te zenden naar
opvarenden of passagiers. Ook luistert de marconist geregeld naar
de nieuwsberichten van onderscheidene zenders, die dan in den vorm
van bulletins verder aan boord verspreid worden.
Zoo is een varend
schip niet meer, gelijk vroeger, een wereldje op zichzelf, los van
de groote wereld. Het heeft dagelijks contact met de wal en zoo
noodig met andere schepen. Aethergolven binden het bestaan van den
zeeman aan dat van den landrot en hij hoeft er geen spijt van te
hebben, want het strekt louter tot zijn voordeel en zijn
veiligheid. Bij de Nederlandsche koopvaardij is de radiotelegrafie
sterk ontwikkeld. Uitstekende scholen leiden de marconisten op. En
de telegraafmaatschappij “Radio-Holland” heeft het
radioverkeer goed geregeld. Menige Nederlandsche marconist heeft,
vooral in oorlogstijd, moedig werk verricht op zijn eenzamen post.
Daar wordt zelden de aandacht op gevestigd, maar de waarde van
zijn werk is er niet minder om. Brengen wij hem op deze plaats een
kleine hulde.
Naast de
radiotelegrafie is in de laatste jaren
ook de radiotelefonie ontstaan. Die wordt veelvuldig op de
visschersvloot toegepast. Visschers, die ver uit de kust hun werk
verrichten en vaak wekenlang wegblijven, plegen voortdurend in
radiotelefonische verbinding met hun thuishaven te staan. Ook
voeren zij dikwijls onderling gesprekken. Voor wie er niet aan
gewend is, lijkt het een wonderlijke sensatie van zee uit opgebeld
te worden. En toch komt dat geregeld voor. Een visscher, die thuis
telefoon heeft, kan elken avond zijn vrouw persoonlijk welterusten
wenschen. En als zijn kinderen de mazelen of den kinkhoest hebben,
kan zijn vrouw hem dagelijks vertellen hoe het er mee gaat.
DE VISSCHERS EN HUN VLOOT.
De visschers en
hun vloot maken in den strikten zin van het woord van de
koopvaardij geen deel uit, maar ik mag hen toch niet verwaarlozen.
Zij bevaren dezelfde zeeën en verrichten een niet minder
belangrijke taak. Nederlandsche visschers zijn er al sedert vele
eeuwen. Hoelang is niet meer na te gaan. De oorsprong der
visscherij van deze lage landen uit gaat verloren in den mist der
geschiedenis. In elk geval was zij reeds van groote beteekenis,
toen Willem Beukelszoon tegen het einde der veertiende eeuw een
verbeterde methode van het haringkaken uitvond, waarvan toen een
aanzienlijke vermeerdering van den uitvoer van visch het gevolg
was, zooals ik in het begin van dit boekje reeds heb vermeld. In 1614
verklaarde de Engelschman Tobias Gentleman van Nederland: “Klein
is het land en toch heeft het meer zeelui en visschers dan
Engeland, Schotland en Frankrijk tezamen. De Nederlanders
verdienen schatten op zee en dwingen bewondering af bij alle
andere naties”. De talrijke roemrijke zeeslagen, die de
Nederlanders in den loop der eeuwen geleverd hebben, zijn voor een
groot deel te danken geweest aan het feit, dat het land over
zooveel bevaren menschen kon beschikken van de visscherij. Die
waren trouwens ook bedreven in het vechten, want de zeerovers
hadden het vaak op visschersvaartuigen gemunt.
Door alle eeuwen
heen is de visscherij hier van belang geweest. Haring was steeds
het voornaamste product. Een tijdlang is er echter van Nederland
uit ook op… walvisschen gejaagd. Dat begon omtrent het begin van
de zeventiende eeuw, kort na de ontdekking van Spitsbergen, waar
Heemskerck en Barentsz de Nederlandsche driekleur hadden geplant.
De Nederlandsche walvischvaarders stichtten er een nederzetting,
die zij Smeerenburg noemden – “smeer” heette de traan in die
dagen -; zij gebruikten dir seizoenstadje als basis, zij kookten
er de traan en leidden den ganschen zomer een druk bestaan. Ook op
Jan Mayen-eiland was zulk een uitgangspunt gevestigd. Tegen het
vallen van de winter trokken zij weer huiswaarts naar Amsterdam,
Rotterdam, Delft, Hoorn, Enkhuizen, Middelburg, Harlingen,
Stavoren, Blokzijl en nog andere plaatsen. De walvischvaart werd
druk beoefend. In 1614 werden alle ondernemingen op dit
gebied vereenigd in de Noordsche Compagnie, behalve de Friesche,
die pas in 1633 tot dit kartel toetraden. Spoedig daarna
echter, in 1642, werd deze maatschappij opgeheven, doch de
walvischvaart is nog tot den Franschen tijd in zwang gebleven.
Het eigenlijke
domein van de Nederlandsche visschers bestaat uit de Noordzee en
Het Kanaal met aangrenzende wateren; er komen er ook wel bewesten
Engeland, maar dat zijn uitzonderingen. Eenige jaren geleden zijn
er ook visschers naar de Noordelijke IJszee vertrokken, niet om de
walvischvaart te herstellen, maar om er haring te vangen. Het
bleek echter niet loonend te zijn zich zoover van huis te begeven.
Sedertdien bepalen zij zich weer tot de van ouds bevischte
gronden. In Mei begint het haringseizoen op de Doggersbank.
Naarmate het later in het jaar wordt, verplaatsen de vischgronden
zich steeds Zuidelijker. Als de haringvisschers in December hun
bedrijf staken bevinden zij zich in Het Kanaal onder de Fransche
kust.
De haringvangst
geschiedt voor 70 pct. met drijfnetten; dat zijn rechtstandig in
zee hangende netten, bevestigd aan drijvende tonnetjes, die breels
heeten. Ongeveer 250 loggers uit Vlaardingen, Maassluis,
Scheveningen, Katwijk en IJmuiden beoefenen de drijfnetvisscherij.
De overige haring wordt gevangen met schrobnetten, die zakvormig
zijn en over den zeebodem gesleept worden. Er wordt echter ook
veel andere visch met de schrobnetten gevangen, n.l. kabeljauw,
schelvisch, bot, tong, schol, en tarbot. Het zijn voornamelijk de
treilers uit IJmuiden, die deze vischmethode toepassen. Het zijn
ruim 650 vaartuigen; zij meten samen iets meer dan 110.000 m³
bruto, waarmede zij de gezamenlijke tonnage der drijfnetvisscherij
slechts met 10 pct. overtreffen. En dan zijn er nog 2400 kleinere
visschersvaartuigen, die tezamen nog geen 50.000 m³ meten.
Daarmee wordt de visscherij volgens zeer uiteenloopende methoden
beoefend op het IJsselmeer, de Waddenzee, de Zeeuwsche en
Zuid-Hollandsche stroomen en de binnenwateren. Deze kleine
visscherij heeft moeilijke jaren achter den rug tengevolge van de
afsluiting der Zuiderzee, die de haring, de ansjovis, de bot, de
spiering en de garnaal uit dit rijke vischgebied der Urkers,
Volendammers, Enkhuizers en andere randbewoners heeft verdreven.
Alleen de aal is er gebleven en de snoekbaars is er na de
ontzilting bijgekomen, maar die aanwinst heft het verlies slechts
ten deele op. Een deel der Zuiderzeebotters vischt nu, voorzien
van sterke motoren, op de Noordzee, waar in de territoriale
wateren de kustvisscherij druk wordt beoefend met kleine scheepjes
op garnalen en bot. De Waddenzee levert nog veel ansjovis,
spiering en sardijn. Deze laatste visch komt ook in de Zeeuwsche
stroomen voor. In beide gebieden vindt men voorts de mosselen,
kokhanen en alikruiken, die evenmin als de garnalen in biologische
zin visschen zijn, maar er in de practijk toch mee over één kam
geschoren worden. (Voorzover deze beeldspraak althans in dit
haarloze waterdierenmilieu niet misplaatst is).
De visscherij is
niet alleen van belang, omdat zij 3300 vaartuigen omvat, met een
tonnage van een kleine kwart millioen kubieke meter, maar ook
omdat zij economisch van beteekenis is. Volgens een ruwe schatting
werken er zeker 15.000 zeelui op de visschersvloot en velen aan
den wal vinden een bestaan in de bedrijven, die uit den
vischaanvoer zijn ontstaan. De aanvoer concentreert zich in de
visschershavens. Te IJmuiden is hij het belangrijkst, niet alleen
van Nederland, maar van heel Europa. Verder hebben ook
Scheveningen en Vlaardingen een belangrijken aanvoer. In totaal
wordt in Nederland jaarlijks ruim 200 millioen kg visch
aangevoerd, waarvan 90 millioen kg haring.
EEN VAREND ZIEKENHUIS.
Het bestaan van
de visschers is, vooral in den tijd der najaarsstormen, ruw en
hard. Er moet zwaar gewerkt worden aan boord onder vaak
allesbahalve benijdenswaardige omstandigheden. De opvarenden van
de visschersvloot missen veel gerief, ook vaak het meest
noodzakelijke. Daarom is er een vereeniging gesticht, die zich ten
doel stelt, den visschers eenigermate in hun moeilijk bestaan
tegemoet te komen. Zij zendt elk jaar gedurende het geheele
seizoen het hospitaal-kerkschip “De Hoop” naar de
vischgronden, aan boord waarvan zich een arts en een predikant
bevinden. Dit scheepje, een prachtige schoener, met een motor van
200 pk, blijft voortdurend kruisen temidden van de treilers en
loggers om hulp en bijstand te verleenen waar dat nodig is. Als er
op een der schepen een zieke is hijscht de schipper twee vlaggen,
een groote onder een kleine. Dat is het teeken voor “De
Hoop” dat haar hulp noodig is. Zoodra aan boord van het
hospitaal-kerkschip dit sein bespeurd is, wordt het onderhavige
schip gepraaid. De schipper roept dan van boord tot boord terug
wat er naar zijn meening aan scheelt, waarna de dokter zijn
koffertje pakt en zich laat roeien naar het visschersvaartuig. Kan
hij het geval ter plaatse verhelpen, dan doet hij dat; kan dat
niet, dan gaat de patiënt mee aan boord van ”De Hoop”,
dat een wel-uitgerust hospitaal herbergt. De dominee vergezelt den
arts op al deze bezoeken aan de schepen, hetgeen zeer op prijs
gesteld wordt. De visschers zijn zeer godsdienstige lieden, die
slechts noode des Zondags het stichtelijk woord van den eigen
dorpspredikant missen, wanneer zij wekenlang op zee blijven. Het
bezoek van den dominee van “De Hoop” heft dat gemis dan
ten deele op; er wordt bij die gelegenheden een samenkomst van
alle opvarenden geïmproviseerd op het schip.
Het is de
gewoonte van “De Hoop” telkens een reis te maken van
zes weken en dan naar IJmuiden terug te keeren om opnieuw te
provianderen en van dokter en dominee te verwisselen. Deze beide
functionarissen zijn n.l. niet in vasten dienst. Het zijn telkens
andere personen, die het werk op zee als een onderbreking van hun
gewone werkzaamheden beschouwen. Wel komt het voor, dat een arts
of een predikant ettelijke keeren zes weken meegaat, maar dan toch
niet achter elkaar. Een der artsen, die geregeld op “De
Hoop” meevoer, vertelde mij eens, dat het schip op een
zijner reizen een visschersvaartuig verkend had, dat allerlei
seinen had uitgehangen; besmettelijke ziekte, kan niet
manoeuvreren, verzoeke hulp te verleenen, brand aan boord, en nog
meer narigheden. Natuurlijk werd er recht op af gestuurd. Toen de
afstand klein genoeg was geworden om elkaar te beschreeuwen, riep
de kapitein van “De Hoop”:
- Schipper, wat
is er?
En prompt
antwoordde de schipper:
- ’t Wief is
joarig!
Hij had de
noodseinen gebruikt om zijn schip te pavoiseren ter gelegenheid
van den verjaardag van zijn echtgenoote. Hulp had hij niet noodig.
“De Hoop” kon
doorvaren om te helpen, waar het wèl noodig was. Dat komt meer
voor dan men waarschijnlijk denkt. Op de haringschepen komen vele
gevallen van zout-infectie voor tengevolge van het veelvuldig
werken met zout (voor het conserveren van de visch) van
opvarenden, die open wonden hebben. Zulk een infectie kan zeer
gevaarlijke gevolgen hebben maar “de dokter van de Doggersbank”
heeft al menigen visscher van een wissen dood weten te redden.
In 1938,
toen “De Hoop” maar drie reizen van zes weken heeft
gedaan, zijn niettemin 348 patiënten behandeld, waarvan er 259 op
zee en de rest aan land. Daarvoor had de dokter 319 Nederlandsche,
26 Poolsche, en 3 Engelsche visschers op het “spreekuur” gehad
aan boord van 185 vaartuigen. Hij had dertien patiënten doen
opnemen in het hospitaal aan boord. Wat den aard der ziekten
betreft had hij 202 chirurgische gevallen moeten behandelen,
benevens 53 tandheelkundige, 7 neurologisch-psychologische, 16
keel-, neus- of ooraandoeningsgevallen, 18 van huidziekten
en 4 van interne ziekten. Het is dus wel noodig, dat de dokter van
het hospitaal-kerkschip ’n allround-arts is. Van hoe groote
beteekenis het varende hospitaal is kan beter met cijfers
geschetst worden door de woorden van aan te halen van een zieken
visscher, die dagen lang op den logger te kooi had gelegen in het
halfdonker zonder behoorlijke verzorging. Toen hij overgebracht
was naar “De Hoop” en daar in een lichten salon
tusschen frisch-witte lakens lag, vroeg de dokter hem:
- Hoe voel je je
nou?
- As in den
‘emel! antwoordde de man uit den grond van zijn hart.
REDDERS OP DE KUST.
De sleepbooten
van L. Smit & Co. en de dokters van “De Hoop” zijn
elk op hun wijze redders op zee. Zij doen dikwijls goed en
menschlievend werk, maar er zijn nu eenmaal ook op den grooten
plas plaatsen, waar zij niets kunnen uitrichten. Dat zijn de
verraderlijke banken, die bij tientallen voor onze kust liggen. En
het gebeurt maar al te vaak, dat daar schepen in nood geraken. Een
sleepboot kan daar niets uitrichten en een dokter, hoe bevaren
ook, heeft men in zulke gevallen niet in de eerste plaats noodig.
Daar op de banken blijft er niet anders over dan hoopvol uit te
zien naar de kust. Alleen van daar kan redding komen. Welnu, het
is nog nooit zoo onstuimig geweest, of die redding is gekomen.
Want slecht weer is het nu eenmaal altijd als er schepen op de
banken loopen, Noordwester- of Zuidwesterstormen. Bij goed weer
weten de stuurlieden wel hoeveel mijlen zij uit de kust moeten
blijven om voldoende water onder de kiel te houden. Maar bij
slecht weer kan het gebeuren, dat de elementen sterker zijn dan de
menschen aan boord. Als dat het geval is, raakt het schip in den
letterlijken zin van het woord aan lager wal, dan loopt het vast
in het zand van een ondiepte. Van den wal af komt er dan hulp in
de gedaante van een reddingboot. Zulke booten zijn er bij
tientallen langs onze kust gestationneerd op alle plaatsen, waar
dat noodig kan zijn. Dat zijn de booten van de Noord- en
Zuidhollandsche Reddingmaatschappij en van de kleinere
Zuidhollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen;
eerstgenoemde beheert alle booten van Scheveningen en wat te
Noorden daarvan ligt. De andere booten ten Zuiden daarvan. Het
zijn beide zeer oude lichamen, die in het begin van de vorige eeuw
de verkeerde opvattingen en gewoonten nopens het redden van
schipbreukelingen hebben doen plaats maken voor andere gedachten
en andere werkwijzen, gebaseerd op de menschlievendheid en niet op
het gewin. Het is thans – en dat is gelukkig al heel
lang zoo – vanzelfsprekend, dat de reddingboot uitvaart
als een schip gestrand is, zonder dat de opvarenden zich afvragen
of zij er wat aan verdienen kunnen. De opvarenden verrichten dit
werk en vatten het op als de vervulling van een eereplicht jegens
de menscheid. Aan de beschouwingen gaan zij zich overigens niet te
buiten. Het zijn mannen van de daad. Veel behoef ik er niet van te
vertellen. Het werk van de reddingbooten is overbekend, want de
kranten schrijven er dikwijls over. Dorus Rijkers’ naam is een
zinnebeeld geworden. Hij was het karakteristieke type van den
redder. Maar hij was er slechts één uit velen. Zoo zijn er
eenige honderden langs onze kust en al mogen zij niet allen even
veel reddingen op hun naam hebben en niet evenveel
onderscheidingen hebben verworven, zij hebben zich allen bereid
verklaard en getoond met ware doodsverachting in de reddingboot te
stappen om tegen den ziedende storm in uit te varen naar het schip
in nood, naar de medemenschen in levensgevaar. Op die bereidheid
komt het aan. Dat de een in geen twintig jaar toekomt aan een
groote redding en de ander tien maal per seizoen met een groot
verhaal en een foto in de krant verschijnt, hangt tenslotte van de
toevallige omstandigheden af, die op de eene plaats vele en op een
andere plaats weinig strandingen doen gebeuren. Helden zijn zij
allen. En het wonderbaarlijke van dit alles is misschien wel, dat
deze helden van de zee voor een groot deel… geen zeelieden zijn
in de gangbare beteekenis. Voor het bemannen van de reddingboot
komen alleen die mannen in aanmerking, die vrijwel voortdurend in
het dorp te vinden zijn; men vindt er bakkers onder en
kruideniers, postbodes en slagers. Maar zij zijn met de zee even
vertrouwd als met hun ambacht en zij doen in onverschrokkenheid
niet onder voor de zeelieden van de koopvaardij en de van de
visscherij. Een deel der reddingbootenbemanningen is echter in
vasten dienst der Maatschappij.
De N.Z.H.R.M
heeft een vloot van zestien roeireddingbooten en –vletten,
twaalf motor-strandreddingbooten en acht motorreddingbooten. Ten
deele zijn zij in havens aan de kust gestationneerd (Scheveningen,
IJmuiden, Den Helder enz.) en voor een ander deel in
visschers-dorpen (Zandvoort, Egmond, Texel enz.), vanwaar zij met
wagens over het strand in zee gebracht moeten worden; sommige
daarvan hebben een waterdichten tractor als bespanning. De meeste
echter worden nog door paarden getrokken. Van jaar tot jaar wordt
de vloot, die van den beginne af door vrijwillige bijdragen van
het Nederlandsche volk in stand gehouden wordt, gemoderniseerd.
Dat dit mogelijk is, mag ook een eerezaak genoemd worden, n.l. van
de Nederlanders jegens de redders, die recht hebben op het beste
materiaal, dat hun verschaft kan worden.
SPORT OP ZEE.
En dan is er nog
een categorie Nederlanders, die niet tot de beroepszeelieden
behooren en toch hun hart eraan verpand hebben. Dat zijn de
zeezeilers uit louter liefhebberij. Groot in getal zijn zij niet,
want de sport, die zij beoefenen, is een buitengewoon kostbare.
Duizenden Nederlanders bezitten een boot, waarmee zij de nobele
bezigheid van het zeilen beoefenen op de stroomen, de meren, de
plassen, de rivieren en de kanalen, soms ook op de Zuiderzee, maar
slechts weinigen gaan er mee buitengaats. Dat gaat ook niet met
een B.M.-metje of met een regenboog; daarvoor is een grootere,
hechtere en daardoor duurdere boot noodig, die zeewaardig is
uitgerust. Slechts weinigen kunnen zich die weelde veroorloven.
Maar dat kleine getal uitverkorenen geeft ook al weer blijk uit
het goede Nederlandsche hout gesneden te zijn. Het weet wat zeilen
is, het durft uitkomen op internationale wedstrijden (Kieler
Bocht) en het weet ook daar een goed figuur te slaan. Twee
gevallen mag ik wel even bij name noemen.
Het eene is dat
van schipper Kuyt uit Zaandijk, een amateur-zeeman, die al niet
jong meer was, toen hij eenige jaren geleden een Noorschen
loodskotter kocht en dien in gereedheid bracht om er den
Atlantischen Oceaan mee over te steken. Hij zeilde, met slechts
één mede-opvarende bij zich, van IJmuiden Zuidwaarts tot aan de
Noord-Afrikaansche Oceaankust en zette, toen het seizoen gunstig
was, vandaar Westwaarts koers naar Brazilië. Onderweg werd zijn
metgezel ziek, zoodat hij eenige weken lang moederziel alleen het
scheepje zeilde. Men kan zich nauwelijks een voorstelling maken
van de buitengewone prestatie, die schipper Kuyt hiermede
verrichtte. Wekenlang sliep hij ternauwernood, gunde hij zich
slechts heel weinig tijd voor zichzelf, hield hij het scheepje in
den juisten koers, verzorgde hij de zeilen en den zieke en
bereikte behouden de Braziliaanse kust. Daar koos hij de route
langs de kust tot aan Paramaribo, waar hij binnenviel. Toen men
hem vroeg, hoe hij dit alles klaar gespeeld had, antwoordde de
eenvoudige zonder hoovaardij:
- Ik had den
Grooten Schipper gevraagd een hand aan den helmstok en een oog in
het zeil te houden.
Het
Godsvertrouwen had den man kracht gegeven dit alles te volbrengen.
Hij vertrok later van Paramaribo naar New York, waar hij uitbundig
gehuldigd werd. Vandaaruit zeilde hij naar Nederland terug. Hij
was reeds doende een tweede Oceaanreis met zijn kottertje, dat hij
kort en bondig “Holland” had genoemd, voor te bereiden, toen
de oorlog het hem onmogelijk maakte zijn nieuwe plannen tot
uitvoering te brengen.
Het tweede geval,
dat afzonderlijke vermelding verdient, is dat van den Zaandammer
Bruynzeel, die met zijn zeewaardig jacht “Zeearend”, gebouwd
op een Amsterdamsche jachtwerf, in 1936 deelnam aan de
zeilwedstrijden van Newport in de Vereenigde Staten naar de
Bermuda-eilanden en vandaar naar Cuxhaven. Het was een reis van
vierduizend zeemijlen, d.i. zevenduizend km met een klein
scheepje; zeven man waren er aan boord, zeven liefhebberij-zeilers,
waarvan er slechts één zeeman van beroep was. Zij volbrachten de
reis zonder ongelukken en bezetten een uitstekende plaats in het
eindklassement, hun gebrek aan Oceaanervaring in aanmerking
genomen. Geen ander Nederlandsch jacht heeft nadien ooit een
poging gedaan deze prestatie te evenaren. Maar misschien komt dat
nog. In elk geval bewijst ook deze sportieve daad weer, dat het
zeemansbloed den Nederlanders in de aderen zit, ook al vinden zij
hun bezigheden aan den wal.
TERUG NAAR DE ZEILEN?
Deze daad en de
zeilsport in het algemeen bewijzen bovendien, dat de
belangstelling voor het zeilschip niet is verdwenen, ook al kent
ons land geen zeilende koopvaardijschepen meer. Zij zal ook niet
spoedig verdwijnen, als de teekenen niet bedriegen. Den laatsten
tijd is zij weer sterk toegenomen, getuige o.a. het feit, dat in
den zomer van 1939 vier Nederlandsche jongelui als
stuurmansleerling gemonsterd hebben op de Zweedse viermastbark
“Abraham Rydberg”. Deze bark, een der laatst overgebleven
clippers van de eens zoo trotsche wereldvloot van volschepen, is
het eigendom van een fonds, dat stuurlieden ter koopvaardij
opleidt. De bestuurderen ervan gaan van het standpunt uit, dat de
karaktervorming van den zeeman, die voor hem van zooveel belang is
in zijn loopbaan, het best tot haar recht komt op een zeilschip,
dat meer nog dan een stoomschip of motorschip een volledige
overgave van alle opvarenden aan de hun opgedragen taak verlangt.
Ook in Nederland zijn leidende figuren in de scheepvaartkringen,
die deze opvatting huldigen. Zij hadden de uitzending van deze
vier jongelui voorbereid en mogelijk gemaakt.
Hierdoor is
welbewust een stap terug naar de zeilvaart gedaan voor de
opleiding van stuurlieden, die bestemd zijn voor stoom- en
motorschepen. Deze stap maakt deel uit van een streven om het
zeilschip weer permanent in te schakelen in het zeevaartonderwijs.
Op kleine schaal gebeurt dat reeds. Het Onderwijsfonds voor de
Scheepvaart, dat zorgt voor de opleiding van binnenschippers,
staat elk jaar zijn beide zeewaardige schoeners een tijdlang af om
de leerlingen van de Nederlandsche zeevaartscholen in de
gelegenheid te stellen eenige ervaring in het varen op te doen.
Maar in de kringen, waarin het zeilende schoolschip gepropageerd
wordt, is men daar niet tevreden mee. Men wil een groot zeilschip
laten bouwen om alle Nederlandsche stuurmans-leerlingen in de
gelegenheid te stellen daarmee een reis om de wereld te maken
alvorens zij een plaatsje zoeken op de brug van een dier moderne
schepen, aan boord waarvan de mannen in de machinekamer een groot
deel van de zorgen van den stuurman wegnemen. Verreweg de meeste
zeevarende naties bezitten zulk een zeilschip voor
opleidingsdoeleinden; alleen Nederland en Engeland, twee der
grootste, niet.
BLIK IN DE TOEKOMST.
Waartoe dit
streven ook moge leiden en hoe men er ook over moge denken, gezegd
dient, dat het getuigt van zorg voor de toekomst. Geen gezapige
zelfvoldaanheid over wat bereikt is, maar voortdurend bezig zijn
met wat worden moet, is kenmerkend voor de Nederlandsche
scheepvaart. Eens hebben onverschrokkenheid en
doorzettingsvermogen de Nederlandsche vloot gemaakt tot de
grootste en daarmee het land tot de sterkste zeemogendheid ter
wereld. Die eigenschappen bezielen nog ons volk; en als zij ten
goede gebruikt worden kan Nederland plaats op de wereldzeeën
blijven toenemen. Er is ongetwijfeld een groote toekomst weggelegd
voor ons land en ons volk en die toekomst is, gezien de ligging
van ons grondgebied zoowel hier als in Azië en Amerika, niet
denkbaar zonder een groote koopvaardijvloot. Dat Nederland in
staat is die te bouwen, te beheerschen en te bemannen, weten wij.
Nederland bezat zulk een vloot, toen de oorlog uitbrak. Hoeveel
daarvan sedertdien verloren is gegaan weet niemand hier te lande.
En hoeveel er aan toegevoegd is evenmin. Hoe dus de Nederlandsche
vloot er zal uitzien als de wateren weer vreedzame
scheepvaartwegen zijn geworden is niet te voorspellen. Maar van
hoeveel zorg wij ook vervuld mogen zijn daaromtrent, dit alles
behoeft ons niet te verontrusten. Nederland zal blijven varen,
want varen is een noodzaak voor ons volk. Niet voor niets staan in
het stadhuis van Rotterdam de woorden gegrift: Navigare necesse
est. Wij zullen dat nooit duidelijker kunnen beseffen dan in deze
tijden.
Amsterdam, Voorjaar 1942.
bbb
CHRONOLOGISCHE
FEITEN UIT DE SCHEEPVAART EN KOLONIES
VERZAMELD
DOOR JAN FERNHOUT
ca
980 Viking Eric Thorvaldson (de Rode) ontdekt Groenland .
ca 1000 Zoon
van Eric, Leif Ericcson vaart weg van Groenland en ontdekt New
Foundland.
1271 Marco Polo vertrekt uit Venetië
naar China en komt in 1295 rijkbeladen terug.
1424 Madeira en de Azoren worden
ontdekt door de Portugees Hendrik de Zeevaarder.
1441 De Portugezen ontdekken de
Kaap Verdische Eilanden, en noemen het naar Kaap Verde bij Dakar
(Senegal), hetgeen het dichtstbijgelegen punt van het vasteland
is. De eilanden worden een Portugese provincie.
1441 Nederlandse schepen in de Sont in
oorlog met de Duitse Hanze om de handelsbelangen. De
Nederlanders verkrijgen vrije doorvaart in de Sont.
1462 De Portugezen ontdekken Sierra
Leone (-rivier) in West-Afrika.
1462 Vuurbaken Steenen
Baak voor de scheepvaart, bij Den Briel opgericht.
1469 De eerste wereldkaart wordt
ontworpen door de Belg Mercator. Zijn nieuwe manier om kaarten te
tekenen noemen we de Mercator-projectie: de meridianen zijn
recht en evenwijdig en de onderlinge afstanden gelijk; de
parallellen zijn rechte evenwijdige lijnen en de onderlinge
afstand is ongelijk, toenemend naar de polen. De projectie van
Lambert daarentegen is een kegelvlak, zodat de meridianen elkaar
raken bij de polen.
1470 De Portugezen ontdekken Sao Tomé
en Gabonkust.
Het wordt een centrum voor slavenhandel door Europese
handelsposten. 1842-1960 is Gabon Frans gebied.
1471 De Portugezen vestigen zich in
Guinee (W-Afrika) vanwege de handel in
ivoor, goud en slaven.
1484 De Portugezen ontdekken Congo
(-rivier).
1485 De Portugees Bartholomeus Diaz
ontdekt Kaap de Goede Hoop en zeilt tot in de Algoabaai.
1487
De Portugees Hendrik de Zeevaarder ontdekt óók Kaap de Goede
Hoop.
1492-96 Columbus, op zoek naar
Oost-Indië, ontdekt de Bahama’s en Haïti, het Caraibisch
gebied en
Midden-Amerika, Guadeloupe, Puerto Rico, Jamaica en Trinidad. Hij
verkent de monding van de Orinoco, en denkt dat Zuid-Amerika ook
een eiland is (Isla Santa). Columbus zocht een kortere weg naar
Indië en dacht dat hij er al was. De inwoners noemt hij daarom Indianen. Hij
brengt de eerste cacaobonen uit Midden-Amerika mee naar Europa.
Columbus overleed 20 mei 1506.
1497 De Portugees Vasco da Gama
ontdekt het Afrikaanse land Natal, genoemd naar het feit dat dit
op 1e Kerstdag plaatsvond; later ontdekt hij Mozambique aan de
oostkust van Afrika. Vandaar vaart men naar India, waar de
westkust wordt ontdekt. De Portugezen doorbreken het monopolie van
de Arabieren, die al eeuwen op de Molukken en Egypte varen. Dit is
tevens het einde van Venetië als rijkste koopstad van Europa.
1497
John Cabot lukt het niet de noordwestelijke doorvaart van Europa
naar de Oost via de
noordkust van Noord-Amerika te vinden.
1498 De
Portugees Vasco da Gama bereikt Calicut (Calcutta) aan de oostkust
van India.
1499 De Italiaan Amerigo Vespucci
ontdekt Venezuela (Klein Venetië) en zet het in kaart; Amerika is
naar hem genoemd.
1499 De zeeweg naar Oost-Indië om
Kaap de Goede Hoop wordt ontdekt door de Portugees Vasco
da Gama.
1499 De Spanjaarden ontdekken Bonaire
en Curaçao "Reuzeneiland".
na 1500 is Antwerpen de belangrijkste
haven van West-Europa.
na 1500 De Westkust Australië (Terra
Australis) wordt ontdekt door Spanjaarden, Portugezen en de
Nederlanders. Er is echter geen belangstelling voor, omdat er geen
rijkdommen worden vermoed.
1500 Brazilië wordt bij het huidige
Bahia per ongeluk ontdekt door de Portugees Pedro Cabral. Hij is
op zoek naar Indië, maar wordt door de Noord-Oost passaatwinden
naar het westen afgedreven. Brazilië wordt Portugees gebied. In 1822
wordt Brazilië zelfstandig en het land telt dan 4 miljoen
inwoners.
1500 Bij zuidoost-Afrika wordt het
eiland Madagascar door de Portugezen ontdekt.
1502 Columbus ontdekt Guatemala.
Guatemala wordt later Mexicaans tot 1821, daarna zelfstandig.
1505 Ten zuiden van India wordt het
eiland Ceylon in bezit genomen door de Portugezen.
1507 Voor de eerste maal staat de naam
America op een wereldkaart.
1509 De Portugees in Spaanse dienst,
Fernando de Magelhaens, vindt als eerste Europeaan de weg om
Zuid-Amerika. Hij doet de reis nog een keer in 1520, steekt
de Stille Oceaan over en zeilt via Kaap de Goede Hoop huiswaarts.
Hij is de eerste mens die een reis om de wereld volbrengt. De
eerste Nederlanders doen dit een kleine honderd jaar later.
1511 De Portugezen gaan de Grote
Oceaan verkennen.
1513 Florida wordt in kaart gebracht
door de Spanjaard Hernan Cortés; Florida wordt Spaans.
1517 Mexico wordt ontdekt door de
Spanjaard Hernan Cortés.
1520 De Portugees Magelhaes ontdekt de
doorvaart tussen Vuurland en het zuiden van Zuid-Amerika
(Straat Magelhaes). Daarna ontdekt hij Chili. Van de 265
bemanningsleden overleven slechts 19 deze reis om de wereld.
Magelhaes kwam ook om.
1520 Het begin van de slavenhandel.
Slaven worden uit Indië, Voor-Indië (India) en Afrika aangevoerd
naar Noord- en Zuid-Amerika. Het aandeel van de Nederlanders
hierin bedraagt 7%.
1532 De Spanjaard Francisco Pizzaro,
reizend vanuit Panama, ontdekt Peru.
1535 De Fransman Jacques Cartier
ontdekt de Sint-Laurensbaai in Canada en noemt een berg met
prachtig uitzicht de Mont Royal. In het dal wordt Montreal
gesticht. In 1608 wordt (ook Frans) Quebec gesticht, zoals de
inboorlingen het noemen.
1536 De stad Buenos Aires wordt in
Argentinië gesticht.
1540 Californië in Spaanse handen.
1544 Chili veroverd door de
Spanjaarden. Chili is sinds 1818 onafhankelijk.
1553
Een Engelse poging een noordoostelijke doorvaart door Canada van
Europa naar het Verre Oosten.
1557 De Portugezen ontdekken Japan en
vestigen een handelspost op Macao en in 1571 te Nagasaki.
1578 Het zoeken naar een Poolroute, de
Noordoostelijke doorvaart met een Nederlands schip mislukt. Men
probeerde een andere weg naar Indië te vinden.
1584 De eerste zeeatlas is
samengesteld door stuurman Lucas Waghenaer.
1593 Guyana (Suriname) komt in Spaans
bezit.
1594 Vuurtoren Brandaris
op Terschelling opgericht op een kerktoren. Hij krijgt kunstlicht
in 1837. Het lichtbereik wordt later 30 zeemijlen (55 km) bij
laagwater.
1595 Na de Spaanse havenblokkade van
Antwerpen tijdens de 80-jarige Oorlog, nemen de Hollanders de
specerijen van Portugese schepen over. Maar Filips II, die ook
koning van Portugal is, steekt er een stokje voor, zodat de
Hollanders besluiten om zelf maar naar Indië te gaan. Ze zijn er
nog nooit geweest, maar in Lissabon komt men de route te weten.
1595 Cornelis De Houtman, Pieter
Dirckz en De Keyser zeilen met vier schepen voor ’t eerst op weg
naar Oost-Indië. Via Sint Helena, Kaap de Goede Hoop en
Madagascar bereiken zij de Straat Soenda op 6 juni 1596. Eén
schip gaat verloren en veel mensen komen om. Daarna bereikt men
Bantam (Java). 22 februari 1597 van Bali vertrokken naar
Amsterdam waar zij in
augustus 1597 arriveren.
1596 Spitsbergen door Willem Barentsz
ontdekt tijdens zijn derde reis en in bezit genomen.
1598 Van Waerwijck ontdekt Mauritius
en noemt het naar Prins Maurits. Mauritius is Nederlands tot 1712.
Tevens is dit de derde reis van De Houtman naar Oost-Indië.
1598 Van Noort zeilt via de Straat
Magelhaes naar Oost-Indië en via Kaap de Goede Hoop terug naar
Nederland. De eerste reis rondom de wereld door een Nederlander
gemaakt.
1600 - 1800 stichtten de Nederlanders
nederzettingen in o.a. Indië, Kaap de Goede Hoop,
Formosa 1642-1662 ( nu Taiwan), Japan, Goudkust en in de Kraalzee.
1600 Er zijn reeds vangstquota voor
haring en uiteraard protest door de visserij.
1600 Stadhouder Maurits gaat met een
leger op weg naar Duinkerken om de kapers aldaar, die de Hollandse
schepen telkens weer overvallen, uit te schakelen. Maurits wordt
bij Nieuwpoort tegengehouden door een Spaans leger (Slag bij
Nieuwpoort). Maurits wint de slag, maar ziet er van af om verder
naar Duinkerken te gaan.
1600 19 april. Het Nederlandse schip De
Liefde bereikt na twee jaar Japan voor een handelsreis
naar het Verre Oosten. Een Hollandse factorij wordt opgericht op
het eiland Deshima.
1601 Het eiland Ceylon (nu Sri Lanka)
en de plaats Colombo worden door de Nederlanders van de Portugezen
overgenomen tot 1796. Ceylon wordt Engels tot 1948.
1602 Aandelenmaatschappij Vereenigde
Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) opgericht op initiatief
van raadpensionaris Johan van Oldebarnevelt. De VOC heeft een
monopolie op de Indische handel, zodat de Portugezen uit Indië
worden verjaagd. Belangrijkste VOC-vestigingen: Kaapkolonie
(Zuid-Afrika). Gebieden in Voor-Indië (India) tot 1824, daarna
Engels. Ceylon (nu Sri Lanka) 1601-1796. In 1599 op de Molukken,
1610 op Java, 1667 op Celebes (nu Sulawesi), later geheel
Nederlands-Indië (Indonesië) tot 1949. Op Malakka en Desjima bij
Nagasaki (Japan).
1604 Eerste Nederlandse
handelsbetrekkingen met Siam, nu Thailand.
1605 Willem Janszoon verkent met
VOC-schip Duyfken de zuidkust van Australië,
maar denkt dat dit een verlengstuk van Nieuw Guinea is.
1607 De Engelsman Hudson zoekt een
zeeweg van de Atlantische naar de Grote Oceaan via Groenland, de
Noordwestelijke doorvaart; deze tocht mislukt door het ijs.
1609 Hudson zoekt opnieuw zeeweg naar
de Stille Oceaan via het Noorden; komt langs Canada en Amerika en
vaart de rivier op, die nu Hudson heet bij New York.
1609 De Pilgrim fathers, groepen
puriteinen, verlaten Engeland en vertrekken via Leiden met de Mayflower naar Noord-Amerika. Andere bronnen spreken
over het jaar 1620.
1610 Hudson poogt voor de derde keer
de Stille Oceaan te bereiken. Steekt door Canada (Hudson Baai),
maar komt weer niet verder. Hij wordt door muitende bemanning
overboord gezet en overleeft dit niet.
1610 Officieel Nederlands bestuur in
Indonesië.
1614 Jan Mayen Eilanden in de
Noordelijke IJszee ontdekt door de Nederlander Jan Jacobsz May.
Hij is eigenlijk de derde ontdekker van deze eilanden.
1616 De Hollanders en de Fransen
verkennen West-Afrika.
1616 Kaap Hoorn (zuidpunt
Zuid-Amerika, Chili) voor 't eerst gepasseerd door Schouten en
Lemaire. Hoorn is de geboorteplaats van Schouten.
1616 Dirck Hartog ontdekt een eiland
bij Australië en noemt het naar zichzelf. Enkele jaren later
vaart de Leeuwin langs een
zuidwestpunt van Australië en de kapitein noemt het Kaap Leeuwin.
1619 Batavia gesticht op de puinhopen
van Jacatra door de vierde gouverneur-generaal J.P. Coen, die het
Nieuw-Hoorn had willen noemen, omdat hij uit Hoorn kwam. Hij kreeg
daar geen toestemming voor.
1621 West-Indische Compagnie (W.I.C.)
opgericht voor handel op de oostkust van Afrika en geheel Amerika.
Men houdt zich voornamelijk bezig met oorlog voeren en kaperij van
Spaanse schepen in opdracht van de Staten-Generaal van Holland.
Met de slavenhandel wordt het meeste geld verdiend. Bezittingen:
West-Afrika (Ghana ofwel Goudkust), oostkust Noord- en
Zuid-Amerika (Brazilië Br.Guyana, Suriname), Antillen en Zuidland
(Australië en Nieuw Zeeland). WIC failliet in 1675, opnieuw opgericht
en weer ontbonden in 1791.
1626 Nieuw Nederland (d.i. het eiland
Manhattan) door Peter Minuit (NL) en Willem Verhulst gekocht van
de Indianen voor f.60,- en wat snuisterijen. Nieuw
Amsterdam (later New York), Haarlem (Harlem) en Breukelen (Brooklyn)
worden gesticht.
1628 Nieuw Amsterdam (nu New York)
heeft 270 inwoners.
1629 Het VOC-schip Batavia
b.j. 1628 vergaat bij zuidkust van Australië. Er is een replica
gebouwd in Lelystad
in 1995.
1628 Admiraal Piet Heyn kaapt de
Spaanse 'zilvervloot' die elk jaar uit Amerika kwam, in de Baai
van Matanzas. De buit bedraagt f.12 miljoen.
1629 Primitieve stoomturbine
ontwikkeld door de Italiaan Giovanni Branca.
1629 Het Braziliaanse gebied rond
Pernambuco, Recife en eiland Pavonia (Fernando de Noronha) zijn een
Ned. kolonie van de WIC, met als hoogste baas Prins Maurits.
Pavonia werd genoemd naar Michel de Pauw.
1631 Het Antilleneiland St.
Maarten wordt in bezit genomen door de Nederlanders. Het eiland is
gedeeltelijk Engels. Zoutwinning en zoutexport naar Holland.
1633 De Spanjaarden jagen de
Nederlanders weg van Curaçao en St. Maarten. De Nederlanders gaan
naar Bonaire.
1634 Curaçao, Aruba, Bonaire opnieuw
bezet door de WIC. Gouverneur:
Peter Stuyvesant. Vooraamste
bron van inkomsten: zeezout na verdamping.
1636 De 'bollenrazernij' in
Nederland. Bloembollen worden tegen fabelachtige prijzen verhandeld
aan het buitenland. 1 tulpenbol kost f.4400,- tot f.5500,- per
stuk.
1636 Het Antilleneiland Sint Eustatius
wordt door Zeeuwse kolonisten in bezit genomen.
1637 De Nederlanders veroveren
Goudkust (Ghana) op de Portugezen. In 1872 aan de Engelsen
overgedragen. Goudkust blijft Engels tot 1957.
1641 Nederlanders op Sumatra.
1642 tot 1662 Formosa (nu Taiwan)
Nederlandse kolonie.
1642/1643 Tasman omzeilt als eerste
Australië en noemt het Nieuw-Holland. Hij verkent het eiland Van
Diemensland (genoemd naar de gouverneur in Batavia, die hem op pad
stuurde), later Tasmanië. Daarna bereikt hij de westkust van
Nieuw-Zeeland, dat hij Statenland noemt (ter ere van de
Staten-Generaal), maar ontdekt niet dat het land uit eilanden
bestaat. Later gaat Statenland Nieuw Zeeland heten.
1643 Abel Tasman ontdekt de Fiji
Eilanden in de Grote Oceaan. In 1874 wordt Fiji na de komst van
James Cook een Engelse kolonie tot 1970. 1970-1987 maakt Fiji deel
uit van het Britse Gemenebest.
1644 Tasman verkent de noordkust van
Australië en noemt het continent Nieuw Holland.
1644 De WIC moet het stuk van Brazilië
rondom Recife opgeven.
1648 Spanje geeft St. Maarten terug
aan Nederland; het eiland is nu ook voor de helft Frans gebied.
1648 Het Stadhuis (nu Paleis) op de
Dam te Amsterdam wordt gebouwd. Op de voorzijde is te zien hoe de
wereldzeeën hulde brengen aan de stad Amsterdam en aan de
achterzijde de werelddelen die de stad eren. De architect is Jacob
van Campen.
1651-1672 Vijf provincies zien op
advies van de Staten van Holland, af van een stadhouder, behalve
Groningen en Friesland. Deze periode heet het (Eerste)
stadhouderloze tijdperk. De voornaamste man is nu raadpensionaris
Johan de Witt. Engeland beschermt de handel d.m.v. monopolie met
eigen schepen. Protest vanuit de Nederlanden en een conflict met
Cromwell leidt tot de Eerste Engelse oorlog (1652-1654) die door
de Nederlanden wordt verloren. Johan de Witt breidt de
oorlogsvloot uit: Tweede Engelse oorlog (1665-1667), waar admiraal
Michiel de Ruyter in de Theemsmonding de ketting bij Chatham stuk
ramt en de Engelse bases vernietigt. Hierop volgt de Vrede van
Breda, waarbij onze republiek Nieuw Amsterdam (New York) plus
omgeving aan de Engelsen afstaat en in ruil daarvoor Suriname
krijgt. Voor een andere versie, zie 1664 en 1667.
1652 Jan van Riebeeck sticht de
kolonie Kaapstad in Zuid-Afrika, als tussenstation op de weg naar
Oost-Indië. Z.A. wordt Engels in 1806 tot 1910. Na Kaapstad wordt
Stellenbosch gesticht.
1655 De V.O.C. vestigt zich op Celebes.
1655 De Engelsen veroveren Jamaica op
de Spanjaarden. 1962 Jamaica in het Br. Gemenebest.
1664 Nieuw Nederland met hoofdstad
Nieuw Amsterdam door de Engelsen veroverd die het New York gaan
noemen. Petrus Stuyvesant kreeg geen steun van de eigen Hollandse
bevolking. Hij bouwde
nog een muur door het gebied om de Engelsen weg te houden. De
straat die er langs liep is nu Wall Street.
1665 Het Korps Mariniers wordt
opgericht door admiraal Michiel Adriaansz. de Ruyter.
1667 Suriname teruggekregen van de
Engelsen in ruil voor Nieuw Amsterdam (Vrede van Breda). Crijnssen
is de baas. Paramaribo heet korte tijd Nieuw Middelburg, maar
krijgt toch de Indiaanse naam terug.
1675 De WIC gaat failliet,
heropgericht en weer failliet in 1791.
1675 Sterrenwacht te Greenwich
opgericht, voornamelijk bedoeld om navigatie op sterren te
ontwikkelen.
1676 Admiraal Michiel Adriaansz. de
Ruyter overleden (68) na strijd in de baai van Syracusa, Sicilië.
1713 Einde Spaanse Successieoorlog
over de erfenis van de Spaanse troon
(Vrede van Utrecht). De zuidelijke Nederlanden (nu België)
vallen in handen van Oostenrijk. De Gouden Eeuw is voorbij, gezien
de werkloosheid en de slechte resultaten van grote ondernemingen
zoals de VOC.
1730 De navigatie-instrumenten, de
Jakobsstaf en de octant worden vervangen door de sextant,
een rond 12.30 uur (wintertijd) en rond 13.42 tijdens de
zomertijd. Het astronomische tijdsverschil tussen onze kust en de Duitse grens bedraagt
13 minuten.
1885 Marconi maakt een radioverbinding
met morsetekens over 2 km.
1885 Kustwacht in Nederland opgericht.
1889 Marconi maakt een radioverbinding
met morsetekens over Het Kanaal.
1890
Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee.
1893 Fridtjof Nansen onderneemt een
expeditie naar de Noordpool.
1893 Kanaal van Korinthe in
Griekenland gereed. Het is 22 m. breed, 8 m. diep, met bergwanden tot 80 m. hoogte en is 6,345 km lang.
1894 Ferdinand de Lesseps (88)
overleden. (Ingenieur Suez- en Panamakanaal).
1894 Vuurtoren van Hoek van Holland in
bedrijf. Sinds 1974 buiten dienst.
1895 Het Duitse passagiersschip Elbe
vergaat op 75 km van IJmuiden. 358 personen verdronken. Het wrak wordt in 1992 teruggevonden.
1896 De tweede sluis, zg. Middensluis
in IJmuiden is geopend. Afmetingen: lengte 225 m., breedte 25 m., waterdiepte 10 m.
1897 juni. Tijdens
vlootschouw 25-jarig regeringsjubileum van Victoria in de
Spithead stuurt Parson ongevraagd zijn nieuwe schip Turbinia, 30 m lang, 2,74 m
breed en 44 ton en met een turbine van 2100 pk, met een snelheid van 34 knopen (65
km/u) tussen de schepen door om te bewijzen dat de turbine een uitstekende machine is. Groot
sukses behaald.
1897 Blauwe
Wimpel gewonnen door de Kaiser Wilhelm de Grosse,
14.000 ton. 27.000 pk. 21 zeemijl/u in 5 dgn 22 u. 45 min.
1897
Blauwe Wimpel gewonnen door de Kaiser Wilhelm II.
19161 ton. Snelh. 21,4 zm/u in 5 dgn ..
min.
1897 Dieselmotor uitgevonden door
Rudolf Diesel (1858-1913)
1898 Cuba met hulp van de VS
onafhankelijk van Spanje (1511). Spanje moet Puerto Rico aan VS afstaan.
1898 De VS annexeren Hawaiï.
1899 Voor 't eerst een radiozend- en
ontvanginstallatie aan boord van een schip, de Duitse Kaiser Wilhelm der Grosse.
1899 Vissershaven en vishallen te
IJmuiden geopend.
1901 Marconi maakt met morsetekens een
radioverbinding over de Atlantische Oceaan tussen Ierland
en New Foundland. Voor de zekerheid koos hij de kortste
afstand (2500 km).
1901 Eerste Nederlandse
radiotelegrafieverbinding tussen lichtschip Maas en de wal.
1902 Rotterdamsche Droogdok
Maatschappij (RDM) opgericht. Deze werf bouwt o.a. de Nieuw
Amsterdam (1938) en de "Rotterdam" (1959)
1903 Panama onafhankelijk van Spanje
(1821) met $ hulp van VS, in ruil voor de streek langs het mislukte (1889) Panamakanaal (Canal Zone).
1904 De Noordam wordt het
eerste Nederlandse koopvaardijschip met radiotelegrafie in de lange- en middengolfband.
1904 19 december PTT
kustradiotelegrafiestation "Scheveningen Haven" te
Scheveningen in dienst. Het zal later Scheveningen Radio heten.
1905
Het radiotelegrafische noodsein CQD (Seek you, distress) wordt
voor het eerst gebruikt.
1905 s.s.
Carmania met turbines voor Cunard Line gebouwd. 19.650 ton,
2600 passagiers.
1907
Veerdienst Den Helder - Texel geopend.
1907 Het graven Panamakanaal (80 km)
wordt opnieuw ter hand genomen. Zie 1913.
1907
s.s. Mauretania en s.s Lusitania, breed 26,20 m, 32.000
ton met turbines 68.000 pk, 4 schroeven,
6600 ton steenkool, 4 schoorstenen en 2335 passagiers en
900 crew voor Cunard gebouwd. Gesloopt in 1936. Lusitania verovert 3 x de Blauwe
Wimpel. In 1907 bij een snelheid van 24 mijl in 4 dgn 19u. 52 min. Werd op 6 mei 1915 getorpedeerd
door U-20, te wijten aan nalatigheid van de kapitein. Deze negeerde de
navigatie-instructies van het Ministerie van Oorlog. s.s. Aquitania
(45.650 btrt), de
laatste stomer met 4 schoorstenen.
1908 Het radiotelegrafische noodsein
CQD (seek you, distress - ik zoek u, noodgeval) wordt vervangen door SOS
...- - -... als één teken geseind. Na 1934: het
radiotelefonische noodsein wordt M'AIDEZ (Fr. voor: help mij), uitgesproken
als MAYDAY.
1909
22 januari. Op de Atlantische Oceaan komt het s.s. Republic
van de White Star Line met
461 passagiers in aanvaring met het Italiaanse s.s. Florida
met 830
passagiers 26 mijl ten zuidwesten van Nantucket. Er vallen 5 slachtoffers.
1910 31 mei. De Unie van Zuid-Afrika
wordt gesticht. Deze omvat Kaap de Goede Hoop, Natal, Oranje Vrijstaat en Transvaal. Kaap de Goede Hoop werd in
1486 ontdekt door Bartholomeus Diaz. In 1652 stichtte Jan van Riebeeck voor
de V.O.C een nederzetting aan de Tafelbaai. De Hollandse tijd duurde in eerste instantie
tot 1795. In 1795 werd het gebied Engels tot 1803; daarna weer Nederlands van 1803 tot 1806.
Vanaf 1806 weer Engels tot 1910. De Boerenoorlogen o.l.v. Paul Kruger (1877-1881 en
1899-1902) en de Grote Trek (1835) waren gericht tegen de Engelsen.
1910 Hamburg
wordt de kiel gelegd voor het Duitse s.s Vaterland, een
oceaanreus van 50.000 b.r.t. en 285 m lengte. De kielplaten zijn 3,5 cm
dik en de klinknagels wegen 2¼ kg. Met vier schroeven van 6,9 meter en bij 180 omw/min. loopt
het 23 knopen. Er zijn 3 schoorstenen, 46 kolengestookte ketels, goed voor
61.000 pk. De proeftocht vindt plaats op 26 april 1914. De max snelheid bedroeg toen 26,3 knopen. In
1917 werd het schip in New York onttakeld en
in beslag genomen en omgedoopt in Leviathan. In
1922 verbouwd, o.a. voor oliestook i.p.v. steenkool. Het gaat in 1938 naar de sloop.
1912
s.s France 23.769 brt gebouwd. Het schip werd
berucht om het slingeren.
191214 april s.s. Titanic
lengte 270 m, 46.000 b.r.t. met 2.206 passagiers, raakt een
ijsberg en vergaat 900 km ten zuiden van Newfoundland waar het 4000
meter diep is. Het noodbericht dat kapitein E.J. Smith de marconist Phillips liet
uitzenden luidde: CQD SOS from MGY we have
struck iceberg sinking fast come to our assistance position lat
41.46N lon 50.14W = MGY. Het aantal reddingboten was berekend voor 1178
personen. 703 personen overleefden de ramp, 1503 kwamen om. Het schip werd onzinkbaar geacht met de dubbele bodem en 16
automatisch werkende waterdichte compartimenten. Dertien schepen hebben het
radionoodsein opgevangen. Het eerst de Duitse Frankfurt. Het
Cunard-lijnschip Carpathia bevond zich op 85
km. Het Japanse schip Ypiranga en de
Rus Birma waren ook in de buurt. De
Engelse Californian bevindt zich zeer dichtbij, en ziet wel vuurpijlen, maar denkt dat
daar een feest aan de gang is. Op 2 sept. 1985 wordt het wrak gevonden.
1913 Het Panamakanaal wordt geopend.
Het werd aangelegd door de Amerikanen en het verbindt de
Atlantische Oceaan met de Grote Oceaan. De doorvaart duurt
9 uren. Het tarief per schip in 1989: gemiddeld $30.000. Sinds 2000 is Panama de eigenaar.
1913 In Kopenhagen wordt het beroemde
beeldje van de zeemeermin geplaatst.
1913 Het PTT kustradiostation
Scheveningen Haven, opgericht in 1904, gaat weerberichten voor de
scheepvaart uitzenden en in 1914 navigatiewaarschuwingen
t.b.v. de veiligheid op zee.
1916 Telegraafmaatschappij
Radio-Holland opgericht. Dit bedrijf levert de radio-apparatuur
voor Nederlandse schepen, plus de marconisten;
waarschijnlijk is R.H. hierdoor het eerste uitzendbureau in Nederland.
1917 Middelburg 700 jaar stad.
1917 Maagdeneilanden (Virgin Isl.)
door Denemarken aan V.S. afgestaan.
1918 IJsland onafhankelijk van
Denemarken en wordt een monarchie. Sinds 1944 republiek.
1918 Hoogovens te IJmuiden opgericht,
omdat Nederland te afhankelijk was van de Duitse staalfabrieken.
1918 Spido haventaxi in Rotterdam
opgericht; wordt later rondvaartbedrijf.
1920 Op zeeschepen wordt een begin
gemaakt met het ombouwen van kolenstook naar oliestook.
1920
Een Engelse wet bepaalt dat elk schip boven 1600 bruto registerton
(brt) met een marconist moet varen; deze wet wordt
internationaal aanvaard.
1922 Egypte onafhankelijk van
Engeland. Koning Foead I staatshoofd tot 1936.
1922 Deel van Palestina ten oosten van
Jordaan wordt Engels mandaat Trans-Jordanië.
1924 Eerste KLM-vlucht naar Oost-Indië
met Fokker F7 in 13 dagen.
1926 Roald Amundsen en de Italiaan
Nobile vliegen per luchtschip Norge over de Noordpool.
1927 Het Nederlandse schip Slamat
van de Rotterdamsche Lloyd is het eerste Ned. koopvaardijschip met kortegolfradiotelegrafie.
1927?
Het Duitse s.s Bremen (Blauwe Wimpel) en s.s. Europa
gebouwd.
1927
29 mei. Proeftocht van het Franse passagiersschip Île de
France. Het meet 43450 b.r.t. De lengte is 242 m., de breedte 28 m. Het heeft 3
schoorstenen. De machine levert 64000 pk; snelheid 24 knopen. De proeftocht start slecht. Reeds in de
haven kunnen de machines niet worden afgezet; het schip vaart door een in de haast
geopende brug waar de doorgang 30 meter breed is. Nog op tijd kunnen de machines weer bediend
worden, zodat het schip nog net kan stoppen voor een sluis. Wordt eind 1958 uit de vaart
genomen.
1928
Blauwe Wimpel gewonnen door de Mauretania (Br.)
bij 26,2 mijl per uur, in 4 dagen 21
uren, 44 min. over een langer traject.
1929
Blauwe Wimpel gewonnen door de Bremen bij
100.000 pk en een snelheid van 27,83 mijl/u in 4 dgn 17 u. 42 min.
1930
Blauwe Wimpel gewonnen door de Duitse Europa bij 100.000 pk en een snelheid van 27,91 mijl/u in 4 dagen 17uren en 6 min.
1930 Vierde sluis (Noordersluis) in
IJmuiden geopend; afmetingen: lengte 400 m., breedte 50 m., water-
diepte 15 m. Deze sluis is dan de grootste ter wereld.
Bij elke schutting komt er 1500 ton zeezout binnen.
1930 Proeven
door de Nederlandse PTT om met radiotelefonie verbinding te
maken met de schepen Prinses Juliana
(veerboot Vlissingen-Harwich) en de Colombia
van de KNSM. In 1931 wordt de proef als geslaagd beschouwd.
1931
Er wordt een radiomedische dienst t.b.v. de internationale
zeescheepvaart opgericht, waarbij het Rode Kruisziekenhuis in Den Haag gratis per telegram
medisch advies zal verstrekken. Schepen kunnen dan een medisch probleem betreffende een
zieke, of ontstaan door een ongeval voorleggen aan de dienstdoende arts. M.i.v. 1935
kan ook radiotelefonisch advies worden aangevraagd.
1931
11 februari.Turbineontwerper/bouwer Parsons (77) overleden.
1932 Scheveningen Radio gaat dagelijks
radiotelegrafisch nieuwsberichten naar de Nederlandse
koopvaardijschepen uitzenden.
1932 28 mei. De Afsluitdijk (32,5 km)
is dicht. Hier is 11 jaar en 334 dagen aan gewerkt.
1932
oktober. Franse s.s Normandie te water gelaten;
80.000 b.r.t. Lengte 313 m., breedte 36 m. 1972 passagiers. 11 dekken. Snelheid 32 knopen.
32.000 pk op 4 schroeven bij 225 omw/min. 6100 ton stookolie voor 29 ketels. 3 schoorstenen.
De Normandie beschikt over een primitieve radar tegen
ijsbergen. Le
Havre – New York in 4½ dag. Verovert
de Blauwe Wimpel na een oversteek van 4 dagen 3 uren 14 min. Op 9 feb.1942 is de Normandie in
de haven van New York door brand verwoest. 20 sept. 1945
verkocht voor de sloop.
1933 7 februari. De hoogste golf 34
meter op zee waargenomen door Am. schip Ramapo in de noordelijke Grote Oceaan, na langdurige periode van storm.
1933
Blauwe Wimpel voor de 2e keer voor het s.s. Bremen,
51.656 b.r.t. met 100.000 pk bij een snelheid van 28,51 mijl/u. in 4 dgn 16 u. 15 min.
1933
Italiaans vlaggen/passagiersschip Rex in de
vaart; 51062 ton; L 264 m.; snelheid 28,92 knopen. Verovert Blauwe Wimpel op
de Duitse Bremen
bij 120.000 pk in 4 dgn 13 u. 58 min. Op 8 sept. 1944 wordt de Rex tot zinken gebracht door
de geallieerden in de Italiaanse wateren.
1934
Scheveningen Radio opent de radiotelefonische dienst voor de
kustvaarders en de visserijschepen.
1934 m.s.
Bloemfontein, passagiersschip gebouwd bij de NSM voor
de VNS. 10081 brt met "Maier"-steven. Ontwerper: Ir. Van Dieren.
Deze is ook de ontwerper van de sleepboot Holland van Doeksen, Terschelling.
1935 Radar in ontwikkeling gebracht
door Engelsman Watson-Watt.
1935
De Blauwe Wimpel als trophee ontworpen, bestond al als vlag.
1936
Franse passagiersvloot: Paris, Île de France, Lafayette,
Champlain en vlaggenschip
Normandie.
1936
Cunard Line Mauretania (32.000 ton) gesloopt.
1936 Ook de luchtvaart (KLM) krijgt
radiotelegrafie en telegrafisten.
1936
27 mei. Eerste reis Queen Mary, L 310,59 m.
81.000 ton, 3 schoorstenen. Snelheid 28 knopen. Werd
troepentransportschip in W.O. II. Uit de vaart eind
sept 1967 en permanent afgemeerd in Long Beach. Verovert de Blauwe Wimpel bij
30,63 zm/u in 3 dgn 23 u. 57 min.
1937
Normandie verovert Blauwe Wimpel bij 31,2 zm/u
in 3 dgn 22 u. 07 min.
1938
Queen Mary verbetert record voor de Blauwe
Wimpel bij 31,9 zm/u in 3 dgn 20u. 42 min.
1938
s.s. Nieuw Amsterdam in de vaart voor de HAL.
1938
Cunard Line Berengaria ( 52.000 ton) gesloopt.
1938 27 september. Engelse
passagiersschip Queen Elizabeth te water gelaten
door Elizabeth I, gemalin van koning
George VI. Het schip meet 83.673 ton, is 314,25 m. lang, heeft
twee schoorstenen en herbergt 3500 passagiers en
bemanningsleden. Troepentransportschip
in W.O. II. In 1968 uit de vaart.
1939 m.s.
Oranje van de Maatschappij "Nederland" in de
vaart. Met 26 mijl/u is zij het snelste Ned. motorschip..
1939 Begin bouw Maastunnel te
Rotterdam; gereed 14 februari 1942.
1940
U.S.A.: s.s. America (33.350 ton) gebouwd.
1941
dec. Aanval op Pear Harbour door Japan.
1942
27 februari. Slag in de Javazee, overgave aan Japan.
1945 Duitsland moet de kolonies Rwanda
en Burundi afstaan aan België.
1945 30 januari. Het Duitse passagiers- en vlaggenschip
Wilhelm Gustloff wordt getorpedeerd door een Russische onderzeeboot 30 km uit de
kust van Gdansk. Aan boord waren volgens berekeningen 10.614 vluchtelingen, waarvan
slechts 996 gered werden; 9618 slachtoffers verdronken in zee of waren opgesloten in het
schip. De ramp werd door de Duitsers geheim gehouden. Het schip was gebouwd in 1937,
mat 25.000 brt en was 217 meter lang. Het fungeerde eerst als hospitaalschip, maar
tijdens de laatste reis bij vertrek uit Gdansk waren de herkenningstekens, zoals het rode kruis
verwijderd. Met de latere beschikbare gegevens en computeranimaties is alles nagegaan. Het schip
ligt op 50 meter diepte. De ramp was qua aantal slachtoffers de grootste scheepsramp
uit de geschiedenis.
1946 4 juli. Philippijnen
(Filippijnen) verklaren zich onafhankelijk. Het land was door
Magelhaes ontdekt en een Spaanse kolonie 1521-1898; 1898 Amerikaans;
Japans 1941-1944; 1944-1946 VS.
1946 27 oktober. Wegens groot gebrek
aan vetten en olieën gaat Nederland aan walvisvaart doen. De walvisvaarder
Willem Barendsz vertrekt naar Zuidpoolgebied.
1947 Thor Heyerdahl vaart met zijn vlot
Kon Tiki van Peru naar Polynesië in de Stille Oceaan.
1947 7 mei. Na een ICAO-conferentie
over de noodzaak van weerschepen op de Atlantische Oceaan ten behoeve van de luchtvaart en de meteorologische
diensten aan de wal, worden op diverse posities op de oceaan varende weerstations in
dienst genomen. Engeland, Noorwegen, Frankrijk en Nederland nemen de oostelijke helft
van de Atl. Oceaan voor hun rekening. Nederland doet mee met het weerschip s.s.
Cirrus,
een omgebouwd ex-Amerikaans fregat. In januari 1950 zet Nederland nog
weerschip in, het s.s. Cumulus,
eveneens een omgebouwd ex-Amerikaans fregat. De Cirrus vaart tot 7 augustus 1970 en
de Cumulus tot april 1963. 1963 komt Nederland met
een nieuw motorschip, eveneens Cumulus genaamd. De weer-
schepenorganisatie wordt in
juni 1996 opgeheven. Het Nederlandse schip wordt verkocht en is in 1998 verbouwd tot
Arabisch privéjacht, Salem met een lengte van 73 meter.
Zie hoofdstuk Weerschip Cumulus.
1949 18
mei - 30 juli 13.18N 82.29 O NL ligt het Nederlandse weerschip Air Mas
bij de Andanamen Eilanden in de Indische Oceaan, t.b.v. de KLM voor de vlucht tussen
Mauritius en Batavia. Radiobaken aan boord.
1949 27 december.
Soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië door Nederland. In 1596
kwamen de eerste Nederlanders onder De Houtman op Java. Sinds 1610
was Ned. Indië onder Nederlands bestuur.
1950 Cunard
Line Aquitania uit 1907 (45.000 ton) gesloopt.
1951
Scheveningen Radio wordt gevestigd op het Sluiseiland in IJmuiden.
Het station was na
Scheveningen enige jaren eerder in IJmuiden in het postkantoor aan de Houtmanstraat.
1951 28 december. Zeer zware storm
woedt op de Atlantische oceaan. Vele schepen zenden SOS, waaronder de Flying Enterprise, een 7000 ton metend
Liberty-schip met thuishaven New York, op 300 mijl ZW van Ierland met 30 graden slagzij.
Later tot 90 graden. Kapitein: Kurt Carlsen (37), Zweeds. De kranten volgden deze gebeurtenis op
de voet, omdat de gezagvoerder niet van boord wilde gaan en daardoor als held
gezien werd. Pas toen het schip ten onder ging sprong hij op de sleepboot. Het gerucht ging
later dat hij een geheime lading had, die zou worden prijsgegeven als het schip op sleeptouw
een haven zou bereiken.
29 dec. toenemende slagzij tot 60 graden. 2 jan. 1952 FE slagzij
meer dan 60
gr. Sleepboot Turmoil onderweg. Een week lang grote krantekoppen over deze operatie.
4 jan. de Turmoil bereikt de FE. Slagzij 65 gr. Vastmaken mislukt. Crew stapt over, behalve
de kapitein. 5 jan. Stuurman Kenneth D. Dancy (27) van de Turmoil stapt over
op de FE om Carlsen te assisteren.
6 jan. Turmoil maakt vast. Verwachten Falmouth 9
januari. 8 jan. Tros gebroken. Slagzij 80 gr. 10 jan. Flying Enterprise gezonken op 70
km van Falmouth. In 1968 wordt bekend dat de FE nucleaire brandstof aan boord
had voor de onderzeeboot Nautilus, die op 14 juni 1952
gebouwd ging worden.
1952
12 januari. Britse vrachtschip Radmar aan de grond bij
Hoek van Holland.
1952 14
juni. Aanvang met de bouw van de eerste Am. onderzeeboot Nautilus. Te water 21
januari 1954
1952 3 - 7 juli. Het nieuwe
passagiersschip United States KJEH verovert met 68 km/u de
Blauwe Wimpel op de Queen Mary. De oversteek is 10 uren
korter en bedraagt 3 dagen en 21 uren. De "U.S" is 297 m lang en wordt voortgestuwd door
240.000 pk turbines. Zij maakt haar laatste reis in 1967. De Blauwe Wimpel is een trophee voor het
schip dat het snelst van Bishop's Rock naar New York kan varen.
1952 15
juli
Maasdam opgeleverd door Wilton aan de H.A.L. Reg.:
PFQR. 15024 brt. 861
passagiers. L. 153,42
m. br 21.09 m. Dagelijks verbruik 61 ton. 29 sep 1968 terug van laatste reis. Verkocht aan
Polish Ocean Lines. Nieuwe naam: "Stefan Batory"/SPYM.
06.11.52 Bij noordwester storm slaat
het Panamese vrachtschip Faustus door de pier van Hoek van Holland. Het vaarwater is onbruikbaar tot 11 nov. Op 18
november tracht men met dieptebommen de kleibodem van de Nieuwe Waterweg open te
scheuren, waardoor het wrak in de bodem moet verdwijnen.
1953 De Zwitserse profesoor Piccard
bereikt met een bathyscaaf een diepte van 3150 meter en in 1956 3700 meter. De bathyscaaf is door hem uitgevonden in
1947. Zijn zoon bereikt in 1960 een diepte van 10.914 meter.
1953 6 jan. Aanvaring tussen de
passagiersschepen Oranje en Willem Ruys in
de Rode Zee. Oorzaak: elkaar (te) dicht genaderd om de passagiers
een plezier te doen.
1953 8 januari. Passagiersschip Klipfontein stoot lek en zinkt voor de kust van Moçambique.
Allen overleven de ramp.
1953 25 januari. Britse pass. schip Empress of Canada door brand verwoest in de haven van
Liverpool.
1953 31 januari. Zware stormen doen
het Britse pass. schip Princess Victoria vergaan in de
Ierse Zee; 133 doden. Tientallen schepen in nood.
1953 13 juni. Kapitein Kurt Carlsen
van de Flying Enterprise in Wijk aan Zee om de nieuwe reddingboot zijn naam te geven.
1954
21.12.54 Panamese vrachtschip Katingo/HOPY in zeer
zware storm op het strand van Bergen aan Zee. 18 februari weer vlot.
1955
12 jan.Noorse tanker Gatt strandt bij Hoek van
Holland.
1955
15 jan. Grootste Ned. Shelltanker Vasum/ PIEK gedoopt
door prinses Beatrix.
1955
18 jan. Reddingboot Brandaris van Terschelling redt
gehele crew van het gestrande s.s Theta.
1955 18
mei
Belgisch vrachtschip Limbourg in storm aan de dijk bij
Petten. 25 mei weer vlot.
1955
09 juni Aanvaring op Noordzee tussen Panamese vrachtschip Buccaneer
(7256 brt) en Zweedse tanker Johannishus (10.788 brt) op 30
mijl W lichtschip Noordhinder. Beide in brand. > 20 doden. Sleepboten
Maas en Scaldis
contracteren.
1955 9 juli. Walvisvaarder Willem
Barendsz II in dienst gesteld. Het nieuwe schip met
26.500 ton draag- vermogen, de waterverplaatsing is 44.000 ton.
Afmetingen: lengte 206,49 m. Snelheid 14 knopen (26 km/u), accomodatie voor 506
personen, bouwprijs f.36 miljoen). Het schip vaart tot 1964 en komt dan onder Zuid-Afrikaanse
vlag (reg: ZSUL)
1956 Eerste hovercraft
(luchtkussenboot) gebouwd door Br. Cockerell.
1956 25 juli. Het Italiaanse 3,5 jaar jonge passagiersschip
Andrea Doria (29.100 brt) zinkt na aanvaring in
mist met het Zweedse passagiersschip Stockholm SEJT (12.165
brt) bij Nantucket
(V.S.). De Italiaan had 1706 opvarenden, waarvan er 1662 werden gered.
De schuldvraag is nooit opgelost.
1956 dec.
Nieuwe t.s.
Rotterdam/PHEG (nr.5) van de H.A.L. in aanbouw.
1956 16 dec. Het nieuwe
passagiersschip Statendam van de Holland Amerika Lijn
krijgt een blackout tijdens een proefvaart in slecht weer op de
Noordzee. Wordt na hevige concurrentiestrijd tussen
Smit (Rotterdam) en Wijsmuller (IJmuiden) door Wijsmuller binnengesleept.
1956 27 dec. Tijdens politieke
trammelant met de Engelsen over het Suezkanaal heeft Egypte vele schepen laten zinken. Er wordt nu een begin
gemaakt met de opruimingswerkzaamheden. Ook Nederlandse bergers werken hieraan mee.
1957 Scheveningen Radio onderhoudt een
nieuw soort telexverbinding met Griekse jacht Creole/VPTG van reder Niarchos. Deze verbinding moet letterlijk
foutloos werken doordat de zender en de ontvanger elkaar
controleren d.m.v. een computersysteem,
zodat bij atmosferische storingen even gewacht wordt met zenden. Deze techniek is
door een PTT-technicus ontwikkeld. Het oude systeem dat nog bij de NAVO en
pers- bureaux in gebruik is houdt geen rekening met radiostoring en kan dus ook verkeerde
tekens afdrukken.
1957 De voormalige Britse kolonie
Goudkust (Ghana) is zelfstandig. Was oorspronkelijk Portugees, maar Nederlands vanaf 1637 tot 1872.
1957 14 mrt. Passagiersschip Waterman van de Ned. Staat teruggekeerd in Rotterdam
na een aanvaring met een Italiaans schip op de Atlantische Oceaan.
1957 26 juni Hoorn 600 jaar.
1957 23 sept. Duitse
viermastbark Pamir vergaat bij de Azoren in een storm.
86 omgekomen, 6 gered.
1957 28 sept. Velsertunnel
geopend ; de spoorbrug (zusje van de Hembrug) tussen Velsen-Zuid en Velsen-Noord wordt spoedig gesloopt.
1957 15 okt. De
Suezkanaalmaatschappij besluit deel te nemen aan de bouw van de
Kanaaltunnel tussen Frankrijk en Engeland.
1957 1
dec. In Indonesië wordt beslag gelegd op de aanwezige Nederlandse
koopvaardijschepen, vanwege de Nieuw Guinea-kwestie.
1957 4 dec. De
atoomturbine-ijsbreker Lenin wordt in Leningrad te
water gelaten. Het meet 16.000 ton waterverplaatsing en de turbine levert
44.000 pk.
1958
Passagiersschip île de France/FNSM (1927) uit de vaart.
1958 23 sept. Laagste luchtdruk
873 mBar gemeten op de Grote Oceaan in een typhoon.
1958
Very High Frequency (VHF, marifoon) bij Scheveningen Radio in
gebruik genomen. Dit gaat over golflengtes met een bereik tot aan de horizon.
1959
Oriana (1) 42000 brt van P&O in de vaart.
1960
France/FNRR
te water gelaten.
1960
Canberra 45000 brt van P&O in Belfast te
water.
1960 Dahomey onafhankelijk van
Frankrijk; was Frans sinds 1894.
1960 Opper-Volta onafhankelijk van
Frankrijk; was Frans sinds 1896.
1960 Gabon onafhankelijk van
Frankrijk; was Frans sinds 1842.
1960 Ivoorkust eerst Portugees, later
Frans, nu onafhankelijk van Frankrijk.
1960 Madagascar onafhankelijk van
Frankrijk; was Frans sinds 1896.
1960 Frans Soedan, nu Mali
onafhankelijk van Frankrijk; was Frans sinds 1860.
1960 Senegal (Sénégal) onafhankelijk
van Frankrijk; was Frans sinds 1817.
1960 Frans Togoland (Slavenkust) gaat
Togo heten en wordt onafhankelijk van Frankrijk; was eerst Duits (1881-1918) en Frans sinds 1918.
Brits Togoland werd na een referendum bij Ghana gevoegd.
1960 Nigeria onafhankelijk van
Engeland, was Brits sinds 1863.
1960 Niger onafhankelijk van
Frankrijk; was Frans sinds 1904.
1960 Tchad (Tsjaad, Chad)
onafhankelijk van Frankrijk; was Frans sinds 1922.
1960 Frans Oubangui-Chari wordt
Centraal Afrikaanse Republiek; was Frans sinds 1905.
1960
Somalië, ex Brits (1887) en Italiaans Somaliland (1889) onafhankelijk.
Frans Somaliland wordt zelfstandig en gaat in 1977 Djibouti heten.
1961 Al-Kuweit onafhankelijk van
Engeland; was Brits sinds 1899. Kuweit is een olie-exporterend land sinds 1946.
1962 Trinidad, in 1498 ontdekt door
Columbus en Spaans bezit tot 1802, waarna Brits, onafhankelijk van Engeland.
1962 Jamaica zelfstandig van Engeland;
werd Spaans in 1509 en Brits in 1655.
1962 Ex-Duits, later Belgisch
Rwanda en Urundi zelfstandig; wordt koninkrijk Burundi. Was Duits 1890-1919 en sindsdien Belgisch (1923).
1962 Algerije onafhankelijk van
Frankrijk (1830).
1962 Koninkrijk Buganda wordt Uganda
(Oeganda) en onafhankelijk van Engeland; was Brits sinds 1894.
1963 Lichtschip Noordhinder vervangen
door nieuw schip. In 1994 station opgeheven, vervangen door een (meet)boei en het schip ging naar Hellevoetsluis
als museumschip.
1963
Nieuwe Ned. weerschip Cumulus/PBVQ in dienst. Vervangt oude
Cumulus/PBVD.
1963 Kenya onafhankelijk van Engeland;
was Brits sinds 1887.
1964 Nyassaland nu Malawi wordt
onafhankelijk van Engeland; was Brits sinds 1891.
1964 Noord-Rhodesië, nu Zambia,
onafhankelijk van Engeland; was Brits sinds 1889. Rhodesië was genoemd naar een Engelse miljardair Rhodes.
1966 Brits Guyana (buurland van
Suriname), wordt zelfstandig en heet nu Guyana.
1966 Barbados (Engelse Antillen)
onafhankelijk van Engeland; was Brits sinds 1652.
1967 22 jan. Nederlandse
ertstanker Jacob Verolme 18.734 brt, in positie 120 mijl
(200 km) ten westen van Las Palmas (Canarische Eil.) na een
ontploffing, met lading en al upside down gekanteld en dagen later tot zinken gebracht. Het
schip bleef wel met de kiel boven drijven en werd aanvankelijk op sleeptouw genomen, maar men
realiseerde zich dat het schip nooit geborgen kon worden, omdat de lading op de
luikhoofden lag. Later kwam er een model van dit schip in Madurodam met blusbootjes
langszij, die de telkens oplaaiende vlammen na de explosie doven.
1967 25 mrt Supertanker Torrey
Canyon/5LXU met 120.000 ton ruwe olie strandt op de rotsen van
Bretagne. De berging mislukt. De TC is tenslotte
door de RAF in brand gebombardeerd.
1967 20 sept. Het Engelse
passagiersschip Queen Elizabeth II GBSS gedoopt en te water
gelaten. Moet nog worden afgebouwd. De Queen Mary GBTT
(1936) wordt uit de vaart genomen en wordt dan drijvend hotel in Long Beach, V.S. In
2004 komt een nieuwe “QM 2” in
de vaart.
1967 nov.
United States KJEH (1952) uit de vaart.
1968
Queen Elizabeth GBSS (1938) uit de vaart.
1968 Het eiland Mauritius, genoemd
naar Prins Maurits (VOC 1598), Frans in 1712, wordt onafhankelijk van Engeland (1814).
1968 Swaziland koninkrijk en
onafhankelijk van Engeland; was Brits sinds 1881.
1968 Eurogeul (12 km) in zee voor Hoek
van Holland gereed en geschikt voor schepen tot 260.000 brt.
1968 31 dec. Hoogste luchtdruk
1083,9 mBar gemeten op een weerstation aan het Agathameer (67 N.B. 93 O.L.) in Siberië.
1969
Papyrusboot Ra met Thor Heyerdahl in Atlantic vergaan;
Thor gered.
1969 13 dec. Gloednieuwe
Nederlandse Shell tanker Marpessa (200.000 ton), gezonken bij
Senegal na explosie en brand. Voer op zijn 2e reis in
ballast van Rotterdam naar de Perzische Golf.
1970 12 juli. Thor Heyerdahl in
Egyptische papyrusboot Ra II de Antlantic overgestoken van Marokko
naar Barbados in 57 dagen.
1970 Oceaan weerschip s.s. Cirrus PBVC van de Rijksluchtvaartdienst/KNMI uit de
vaart genomen en naar de sloop. De Cirrus is het laatste Ned.
koopvaardijschip met een ouderwetse stoommachine. Blijft
over weerschip m.s. Cumulus PBVQ (1963-1996), 1998 verbouwd
tot Arabisch superjacht Salem.
1970 Zeehondencrêche
in Pieterburen opgericht.
1971 Lichtschip Goeree vervangen door
lichteiland.
1971 11 jan. Tanker gezonken bij
Folkestone in Nauw van Calais. Een dag later stoot een schip er op en zinkt. Op 27 feb weer een schip er op en
zinkt; totaal 52 slachtoffers.
1971 Scheveningen Radio verhuist van
het Sluiseiland naar
een nieuw gebouw aan het Marktplein te IJmuiden.
Het nieuwe telefoonnummer 19104 duidt op het jaar dat het station werd opgericht
(negentien honderdvier).
1972 Cameroun wordt een tweetalige
eenheidsstaat. Het land was van 1884 tot 1919 Duits en 1919-1959 Brits-Frans. In 1959 werd het Franse deel
autonoom. In 1961 komt het Britse deel bij Nigeria.
1972 Ceylon gaat Republiek Sri Lanka
heten. Het werd Portugees bezit in 1505, in 1658 Hollands vanwege de kaneel. Vanaf 1796 was het Engels.
1972 9 jan. Passagiersschip Seawise
University, de ex- Queen Elizabeth (1938) in de
haven van Hongkong door brand verwoest. Bouwjaar 1939.
1972 17 juni. Transatlantische
solozeilrace met o.a. de Nederlandse deelnemer Gerard Dijkstra. De
reeds bejaarde Britse solozeiler Sir Francis Chicester
wordt ziek, heeft pech en komt ook nog in botsing met het Franse weerschip
France I, dat op thuisreis was van het Atlantische weerstation K naar La Pallice.
1973 Brits Honduras in Centraal
Amerika gaat Belize heten en wordt in 1981 deel van het Britse
Gemene- best, dat het land sinds 1862 in bezit had.
1973 Bahama Eilanden zelfstandig van
Engeland. Het staatshoofd blijft Elizabeth. De Bahama’s waren sinds 1729 een Britse kroonkolonie. Het gebied omvat
700 grote en meer dan 2000 kleine eilanden.
1973
Pass. schip Prinsendam PJTA (8655 brt) in dienst.
1974 Het Westafrikaanse Guinee Bissau,
voormalig Portugees Guinee, wordt zelfstandig. Het land was sinds 1879 onder Portugees bestuur.
1974 Het graven voor de Kanaaltunnel
wederom gestaakt.
1974 Het Nederlandse passagiersschip Willem Ruys van de Rotterdamsche Lloyd wordt
verkocht aan de Italiaanse rederij Lauro en gaat na de
verbouwing Achille Lauro heten.
1975 De eilanden Sao Tomé en Principe
worden zelfstandig; ze waren Portugees.
1975 Suriname onafhankelijk van
Nederland. Werd in 1593 Spaans, 1613 Engels, 1667 voor ’t eerst Nederlands door een ruil met Engeland met Nieuw
Amsterdam (New York); de gouverneur was Crijnssen, 1813-1816 was Suriname weer
Engels; en sinds 1816 weer Nederlands. Dat het verkeer er links rijdt is nog een
erfenis uit de Engelse tijd, mede doordat Brits-Guyana het buurland is.
1975 Mozambique onafhankelijk van
Portugal (1510).
1975 Archipel des Comores in de
Indische Oceaan wordt onafhankelijk van Frankrijk (1886).
1975
Eerste keer Sail Amsterdam, een manifestatie van grote
zeilschepen (windjammers).
1975 Papua Nieuw Guinea onafhankelijk,
maar blijft deel uitmaken van het Britse Gemenebest.
1975 Angola onafhankelijk van Portugal
(1482). Sindsdien in burgeroorlog. Angola is rijk aan diamant.
1975 Het Westafrikaanse land Dahomey
gaat Benin heten.
1976
03.01.76 Ned. schip Stardust in storm op het strand
van 's-Gravenzande
1976 Eilandengroep Seychellen
in de Indische Oceaan onafhankelijk van Engeland.
1977 22 april. Het produktieplatform
Bravo in het Ekofiskveld spuit 170 ton olie per uur in zee gedurende 8 dagen.
1977 Djibouti na 117 jaar
onafhankelijk van Frankrijk.
1978 16 mrt. Tanker Amoco Cadiz A8AN
vergaan bij Bretagne. 210.000 ton olie op de kust verspreid over 150 km. Op 29 maart is het wrak
gebombardeerd.
1978 25 maart. Conny van Rietschoten
wint de Whitbread-zeilrace om de wereld met het jacht Flyer en 11 bemanningsleden. Dirk Nauta met de
Tielsa werd 7e.
1979
18 juli In Golf van Mexico spuit olie uit put al meer dan er is
weggestroomd uit de Amoco
Cadiz.
1979 20 juli. Aanvaring bij Trinidad. Atlantic
Empress SVKP vergaan. Dit is het grootste schip ooit vergaan:
293.000 ton.
1979 Marokkaans West Sahara wordt deel
van Marokko.
1979 19 maart. De Franse oceaanreus France FNRR wordt de Noorse
Norway.
1979 15 dec. Atlantische
oversteek door 4 Nederlanders op het zeilvlot Sterke Yerke
III. Na 4½ maand varen kwamen ze terecht op de rotsen van
Bonaire.
1979 19 dec. Scheveningen Radio PCH
bestaat 75 jaar. Ter gelegenheid hiervan wordt een postzegel van 75 cent uitgegeven met daarop afgebeeld
een seinsleutel met in letters en morsetekens PCH.
1980
18jan. Liberiaanse Star Clipper 5MFZ vaart pijlers
van een verkeersbrug onderuit over de Kungalv fjord in Zweden.
1980
07 mrt Tanker Tanio 5MRP 26.000 ton huisbrandolie
breekt in Het Kanaal. De kust van Bretagne wordt over een
lengte van 70 km vervuild.
1980 27 mrt. Boorplatform Alexander
Kielland LFOA gekapseisd, 123 doden.
1980
24 mrt. .03.80 Golf van Mexico. Oliebron Ixtoc II lekt sinds 3 juni
1979. Lek gestopt, maar gigantische oliemassa's drijven in de Golf.
1980
09 mei Liberiaanse tanker vaart de pijlers van een verkeersbrug
over de Tampa Bay onderuit. 31 doden.
1980
22 juli. Liberiaanse supertanker Energy Concentration 5LRX
door verkeerd lossen in Rotterdam gebroken.
1980
aug. 2e Sail Amsterdam.
1980
5 okt. Prinsendam PJTA 8655 brt krijgt brand in mk
en vergaat na enige dagen in de Golf van Alaska.
1980 okt.
Japanse Shinaitoku Maru (4000 brt) energiezuinig. Het
heeft 2 enorme zeilen. Brandstofverbruik gehalveerd.
1980
16 dec. Suezkanaal weer vrij van wrakken en opengesteld.
1980 Rhodesië zelfstandig en heet nu
Zimbabwe.
1981
5 apr. Scheepsbouwer Jacob Verolme (80) overleden.
1981 Belize, voorheen Brits Honduras,
het laatste Britse Gemenebestland op het Amerikaanse vasteland wordt zelfstandig.
1981
10 aug. Binnenschippers blokkeren de Nederlandse havens om een
betere regeling op de vrachten- markt af te dwingen.
1981 sept. Een kluis van het in
1956 gezonken passagierschip"Andrea Doria", dat in
aanvaring kwam met het passagiersschip Stockholm, is
gevonden en zal eind van het jaar op tv worden geopend. De kluis wordt voorlopig bewaard in
een aquarium met haaien.
1982 5 apr. Falklandoorlog tussen
Argentinië en Engeland, duurt tot 15 juni. Argentinië claimt de Falklands (Las Malvinas) op grond van de geschiedenis.
Engeland wint deze 'oorlog', na een militaire strijd.
1983 9 juli. Het passagiersschip voor
de Holland Amerika Lijn, gebouwd in Le Havre, met als derde de naam
Nieuw Amsterdam PJRS wordt
opgeleverd. De thuishaven is St. Maarten.
1983 Goudstukken gevonden in wrak van 't Vliegent Hert, een VOC-schip dat in 1735 onder de
Engelse kust zonk.
1984 Na 96 jaar Britse kolonie te zijn
geweest wordt de rijke oliestaat Brunei aan de noordkust van Borneo zelfstandig.
1984 15 jan. De Nederlandse
kustvaarder Pergo /PGSG wordt verlaten in een storm,
maar vaart onbemand 400 km door van Noorwegen naar Schotland
tussen booreilanden door, om dan aan de
Schotse kust te stranden.
1984
25 aug. Aanvaring Olau Britannia met Fr. vrachtschip Mont Louis
FNIE die zinkt met 30 vaten hexa- fluoride. Berging laatste vat rond 10 september.
1985 10 juli. Green Peace-schip Rainbow
Warrior door de Franse geheime dienst tot zinken gebracht in Nieuw Zeeland.
1985
1 aug. 3e Sail Amsterdam.
1985 2 sept. Het wrak van de Titanic wordt bij toeval gevonden op 900 km zuid van
New Foundland op 4000m diepte.
1984 10
sept. Fr. vrachtschip Mont Louis FNIE dat op 25 aug is gezonken voor
de Belgische kust, breekt in tweeëen. De vaten radioactief uranium
hexafloride zijn drie weken later allemaal geborgen.
1985 7 okt. Het Italiaanse
passagiersschip Achille Lauro IBHE (ex Willem
Ruys) wordt gekaapt, waarbij een Amerikaanse passagier wordt gedood.
1986
15 jan. Griek Rio Grande SZYZ bij zware storm op het
strand van Wassenaar.
1986 20 jan. Frankrijk en Engeland
sluiten een verdrag voor de bouw van de Kanaaltunnel.
1987 6 mrt. De veerboot Oostende -
Dover Harald of
free Enterprise met 538 personen is met geopende boegdeuren gekapseisd voor Oostende. Er waren 538
personen aan boord, van wie 188 de ramp niet overleefden.
1987
14 aug. In de Noordzee wordt Ekofisk platform 6,5 m opgekrikt
onder Ned. supervisie.
1987 dec. Begin van de aanleg van
de Kanaaltunnel.
1988
31 jan. Argentijns schip zinkt in het zuidpoolgebied. 950.000
liter olie vervuilt de kusten.
1988
27 mei Chemicaliëntanker Anna Broere PCRB 100 km
off IJnuiden gezonken na aanvaring. 9 augustus geborgen.
1988 6 juli. De veerdienst Anna
Jacobapolder-Zijpe wordt opgeheven omdat de Philipsdam open is. Het veer
begon de dienst op 1 mei 1900.
1988
24 juli Virus in Europese zeeëen kost duizenden zeehonden het
leven.
1988 Een brand op Noordzeeplatform Piper Alpha
tot 29 juli kost 166 doden.
1989 23 mrt. De olietanker Exxon
Valdez loopt aan de grond en slaat lek in de wateren van Alaska.
1990 aug. 4e "Sail te
Amsterdam. Het replica VOC-schip Amsterdam doet voor
't eerst mee.
1990 1 dec. Aanleg Kanaaltunnel:
Handje schudden; de Engelsen en Fransen bereiken elkaar. Er zijn drie 50 km lange buizen op 50 m diepte:
twee voor de trein en een servicebuis.
1992 1 feb. Aan boord van
koopvaardijschepen is de marconist niet meer verplicht, indien het
satellietcommunicatiesysteem aan boord wordt ingevoerd. Een
overgangsperiode van tien jaar biedt de rederijen geleidelijk over te stappen op
satelliet.
1992 3 dec. De Griekse tanker Aegean Sea vergaat bij La Coruna; 80.000 ton ruwe
olie verontreinigd de zee.
1993 4 jan. De Liberiaanse tanker Braer vaart op de keien van Zuid-Shetland. 85.000 ton
light crude a/b. Geheel verloren gegaan.
1994 6 juni. De Kanaaltunnel gaat open
voor vrachtvervoer. De oorspronkelijke begroting was f.14 miljard. Het werd uiteindelijk f.28 miljard. Voor
passagiersvervoer is de tunnel in september beschikbaar.
1994 13 nov. De eerste
passagierstrein rijdt door de Kanaaltunnel.
1994 30 nov. Het It. passagiersschip Achille Lauro
IBHE (ex Willem Ruys) in
brand in de buurt van Somalië - 3 doden. Na twee dagen gezonken.
1995 6
apr. Oriana van P&O gedoopt.
1995 7 apr. Het VOC-schip Batavia, gebouwd in Lelystad, gedoopt door Beatrix.
Het origineel verging in 1629 bij Australië.
1996 2 juni. Het Ned. weerschip m.s. Cumulus, varend voor de Engelse Metorologische Dienst
(Metoffice) is door het KNMI uit de vaart genomen; verkocht
en omgebouwd tot Saudisch superjacht SALEM (1998).
1997 28 feb. De veerdienst
Oostende-Ramsgate wordt na 150 jaar opgeheven, vanwege de
Kanaaltunnel.
1997 10 mei. De stormvloeddeuren
“Maeslantkering” in de Nieuwe Waterweg bij Hoek van Holland in
gebruik gesteld. Bouw duurde 6 jaren. Kosten:
₣1 miljard. De prognose is dat bij een verhoging van de waterstand met 3.10 m eens in de zes
jaar de vaarweg moet worden afgesloten. Dit is het 14e en laatste project van het
Deltaplan.
1997 12 aug. Het Britse eiland
Montserrat in de Caribische zee dreigt te ontploffen door een vulkaan.
Bewoners moeten eraf.
1997 30 sept. Het cruiseschip Rotterdam (5) (b.j. 1959) van de Holland Amerika Lijn
wordt uit de vaart genomen. Nieuwe Rotterdam (nr. 6) op 6 Oct. in de vaart. Deze is
gebouwd in Venetië.
1998. De film "Titanic" wint
11 Oscars.
1998
31 dec. Scheveningen Radio opgeheven. Het station was sinds
1904 internationaal vooraanstaand en zeer gewaardeerd bij bemanningen en
rederijen. De verbindingen met zeeschepen zijn tegenwoordig volledig geautomatiseerd
middels satellieten. Ook de meeste buitenlandse kuststations zijn of worden gesloten. Slechts
enkele blijven beschikbaar voor schepen die nog een telegrafist
a/b hebben.
1998
Film "Titanic" kassucces.
1998
In dienst: reddingboot Koning Willem I PCED. Werf: Habbekee,
Volendam. 2 Waterjets 2x 100 pk, 65 km/u.
1999
9 juli begint het boren van de Westerscheldetunnel 6600 m
tussen Ellewoutsdijk en Terneuzen tot een diepte van 60 meter.
1999 14 dec. Het Panamakanaal
wordt door de V.S. aan Panama overgedragen.
2000 1 juli. De Oresund-brug/tunnelverbinding
tussen Kopenhagen (Denemarken) en Malmö (Zweden) wordt geopend; de afstand is nu 15 minuten met de
auto.
2000 12 aug. De Russische
atoomonderzeeër "Kursk" gezonken in de Barentszee, 118
slachtoffers.
2001 20 mrt. Het booreiland
Petrobras zinkt in de Atlantische Oceaan bij Brazilië na
explosies; het eiland reikte tot 120 meter boven zee en woog 32.400
ton.
2001
7 juni P&O Nedlloyd Houtman in dienst. 300m
lang, 6800 standaard containers.
2001 8 okt. De gezonken Russische
atoomonderzeeboot Kursk wordt door een Nederlands bedrijf boven water getakeld en 21 oktober in het dok
afgeleverd.
2002
18 april. Thor Heyerdahl overleden (87). Voer in 1947, 1969
en 1970 met vlotten over de oceanen. Heyerdahl was bioloog, geograaf en
ontdekkingsreiziger.
2002 26 sept. Een Senegalees
schip Le Joola bij Gambia kapseist in slecht weer met 1927 passagiers aan boord; slecht 64 personen zijn gered. In
feite is deze ramp groter dan die van de ”Titanic”, maar niet de grootste (zie 30 januari
1945). De capaciteit was 550 passagiers en het schip was gebouwd om niet op zee, maar in
binnenwateren te varen.
2002 14 dec, Een vrachtschip komt
in aanvaring met het gezonken autoschip Tricolor bij Duinkerken. Het autoschip ligt al enige dagen op zijn kant
vlak onder het zeeoppervlak. Ondanks wrakboeien en waarschuwingen vaart het schip er
letterlijk bovenop; het wordt vlotgetrokken, heeft lichte schade en heeft de reis
vervolgd. Op 1 januari wordt het wrak opnieuw aangevaren door tanker met 72.000 ton kerosine; de tanker
maakt water in voorschip en gaat ten anker. Tot 7 januari tien bijna-aanvaringen.
2003
4 okt. Scheepswerf van der Giessen De Noord te Krimpen
aan de IJssel, bestaand sedert 1820 gaat sluiten. Deze werf bouwde talrijke
koopvaardijschepen. Het laatste zeeschip is van stapel gelopen.
2003
22 dec. Nieuw Engels passagiersschip Queen Mary II
door de werf te St. Nazaire overgedragen aan de rederij Cunard. DE QM is 345 meter
lang.
2004
De Morse-code
krijgt er een nieuw teken bij: @. Wordt geseind als .--.-.
2004
25 apr. Nieuw passagiersschip Westerdam gedoopt in
Venetië. In 2003 kwam de Oosterdam in de vaart.
Ezelsbruggetje
voor de Duitse waddeneilanden van oost naar west:
Wangeroog
WELCHE
Spiekeroog
SEEMANN
Langeroog
LIEGT
Boltrum
BEI
Nordeney
NANNY
Juist
IM
Borkum
BETT